Beperk aanleg natte natuur vanwege risico vogelgriep

29-04 | |
Oplaat
Bart-Jan Oplaat Voorzitter van de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders
Meanderende rivier.
Meanderende rivier. - Foto: Henk Riswick

Natte natuurgebieden zijn een risicofactor voor vogelgriep, stelt Bart-Jan Oplaat. Het wordt tijd dat hier bij besluitvorming rekening mee wordt gehouden.

De term ‘nieuwe natte natuur’ toont eigenlijk al de idioterie van het geheel. Dit is op geen enkele wijze natuur te noemen, zoals in ons hele land geen natuur aanwezig is. We kunnen hooguit spreken van een nieuw waterpark.

Om allerlei redenen zoals klimaatadaptatie, waterberging, natuuruitbreiding, greenwashing, worden er door heel Nederland nieuwe gebieden voor natte natuur aangelegd. Meer meanderende rivieren, overloopgebieden zijn daarbij favoriet bij de bureau-ecologen. Of het nu om Rijkswaterstaat, waterschappen, provincies, landschappen of andere terreinbeherende organisaties gaat, allemaal doen ze mee aan de hype.

Biodiversiteit

Goede landbouwgrond of de vruchtbare toplaag in natuurgebieden wordt omgezet naar een watervlakte. Zogenaamd moet dit ook nog eens goed zijn voor de biodiversiteit. Dat de al aanwezige soorten in die gebieden daarbij hun leefomgeving vernield zien worden, is blijkbaar niet relevant. De Grutto of Kievit die daar leefde moet noodgedwongen op zoek naar een andere omgeving om plaats te maken voor watervogels.

Een goed voorbeeld hiervan zijn de Amsterdam Wetlands. Ter compensatie voor de bouw van 75.000 woningen wordt goede landbouwgrond met veelvuldig aanwezige weidevogels omgezet in natte natuur. Greenwashing noemen we dat.

Feitelijk is er dus geen vooruitgang qua biodiversiteit, je jaagt de ene soort weg en er komt een andere soort terug. Ondertussen worden er wel kapitalen aan belastinggeld voor gebruikt. De politieke beslissers zien alleen de prachtige projecties van de gedroomde natuur en durven ook geen kritische vraag te stellen. Nog los van of ze de kennis hebben om deze vragen te kunnen stellen.

Als u wel eens in een luchtballon hebt gezeten, dan weet u dat waterplassen op grote afstand zichtbaar zijn. Ganzen en eenden worden dan ook als een magneet aangetrokken door de nieuw aangelegde waterpartijen. Veelal liggen deze plassen dan ook op plekken waar voorheen weinig watervogels kwamen zoals op de zandgronden.

Pluimveebedrijven

Juist op de zandgronden zijn in de loop van de geschiedenis de pluimveebedrijven ontstaan. Dit als logisch gevolg van het feit dat deze niet grondgebonden hoefden te zijn en de kwaliteit van de landbouwgrond niet van belang was.

Heel lang was er dan ook vrijwel geen risico op insleep van ziektes die mee werden gebracht door trekvogels vanuit Afrika of Siberië. Deze vogels volgden de kustlijn, komend vanuit Rusland, langs de Oostzee, Waddenzee en dan verder zuidwaarts of overstekend naar Engeland.

Door bejaging vrijwel onmogelijk te maken, het aanwijzen van ganzenrustgebieden en steeds meer nieuwe waterpartijen, is de groep trekkende vogels explosief gegroeid. De laatste twintig, dertig jaar zijn de aantallen verdrievoudigd. Deze aantallen zorgden ervoor dat hun foerageergebied en rustplaatsen te klein werden en er nieuwe gebieden gezocht werden.

In de normaal gesproken waterarme gebieden begonnen meer en meer watervogels te komen. In 2003 zorgde dat al eens voor een grote uitbraak van vogelgriep in Nederland. Ook nu zien we dat nabij Lunteren een groot nieuw watergebied is aangelegd. Of daar de oorzaak ligt van de huidige uitbraak op de Veluwe, valt natuurlijk nooit te bewijzen. Maar dat maakt het niet minder aannemelijk.

Meer beheer vragen

Bij besluitvorming rondom aanleg van nieuwe natte natuur wordt volledig voorbij gegaan aan de risico’s die de aanleg meebrengt voor de daar al aanwezige pluimveehouderij. Elk nieuwe gebied is er voor ons één te veel en daar waar dit gepland wordt, dient dit goed onderbouwd te worden. Hierbij zal ook meegenomen moeten worden dat deze gebieden ook zodanig zijn in te richten dat ze niet leiden tot nieuwe groepen watervogels. Dit is relatief eenvoudig te doen door de inrichting van het gebied zo te maken dat niet ganzen hier bezit van nemen. Dit zal meer beheer vragen en de kosten verhogen.

Echter afgezet tegen de kosten van een mogelijke uitbraak van vogelgriep zal dat een schijntje zijn. Niet alles kan, u kent de titel vast nog wel van het rapport Remkes. Dit besef moet ook doordringen bij bestuurders en politiek dat het aanleggen van natte natuur op de wijze zoals dat de afgelopen decennia is gebeurd niet meer kan.

Een soort van MER-rapportage over de risico’s in het geplande gebied zou een eerste vereiste moeten zijn bij provincies en gemeenten. Beter zou zijn dat er in ons kleine land, met veel claims op de ruimte, natuur onderaan de ladder komt te staan.

Meer over


Beheer