CBb: risico’s van investeringen liggen bij veehouder

Investeringsbeslissingen van melkveehouders zijn risico’s die voor rekening van de ondernemer dienen te komen.

Dat blijkt uit een overzichtsuitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). ‘De beslissingen van melkveehouders om te investeren in productiemiddelen als stallen, grond, melkvee en machines, …, of om bestaande stalruimte (nog) niet te benutten, moeten worden gezien als ondernemersbeslissingen waarvan de risico’s inherent zijn. … Het College hanteert als uitgangspunt dat de individuele melkveehouder zelf de gevolgen van die risico’s draagt.’

Niet afwentelen op gemeenschap

Volgens het CBb zijn zowel de voor- als de nadelen, ongeacht de concrete bedrijfseconomische effecten, voor rekening van de melkveehouder en niet af te wentelen op de gemeenschap. ‘Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel vormt een individuele en buitensporige last (IDL).’

Alleen in uitzonderlijke gevallen gaat het CBb wel van IDL uit. Van de tot nu toe 600 uitspraken die het CBb gedaan heeft zijn er zes (6!) waarbij de gevolgen van het fosfaatrechtenstelsel leiden tot een (onaanvaardbare) individuele en buitensporige last.

Daarvoor moet volgens het CBb de ondernemersbeslissing ‘navolgbaar’ zijn op basis van de volgende criteria:

  • wat betreft het tijdstip waarop de beslissing is genomen;
  • de omstandigheden waaronder de beslissing is genomen;
  • de mate waarin is geïnvesteerd;
  • en de reden waarom is geïnvesteerd.

Buitensporige last

Er moeten volgens het CBb goede redenen zijn om aan te nemen dat het fosfaatrechtstelsel leidt tot een buitensporige last voor een individuele melkveehouder. Het CBb weegt hierbij het algemeen belang van het fosfaatrechtenstelsel (o.a. bescherming van het milieu en volksgezondheid) tegen de individuele belangen van de melkveehouder.

Knelgevallenregeling

Tot nu toe in 6 zaken oordeelde het CBb dat door het ontbreken van een compensatie, een knelgevallenregeling, het fosfaatrechtenstelsel in strijd was met art. 1 Eerste Protocol EVRM dat het recht op ongestoord genot van eigendom garandeert.

Twee daarvan gaan over uitbreiders, in het ene geval gaat het om een boer die zijn varkenstak beëindigt en zijn melkveetak uitbreidt. Een navolgbare beslissing gezien de omstandigheden, aldus het CBb. In het andere geval een melkveehouder die in 2012 een bestaand bedrijf kocht, te maken kreeg met een met terugwerkende kracht verlaagd fosfaatrecht. Daarnaast twee uitspraken over verpachte grond waardoor melkveehouders niet meer grondgebonden waren. Daar was het eenmalige en tijdelijk karakter van de pacht doorslaggevend.

Fout van RVO.nl

Een vijfde zaak gaat over de cyclische bedrijfsvoering van een opfokbedrijf dat afwijkt van een standaard melkveebedrijf. De peildatum op een enkel moment houdt hier geen rekening mee. In de laatste door het CBb gehonoreerde zaak gaat het om een melkveehouder die door een fout van RVO.nl in het kader van de melkveefosfaatreferentie op de peildatum een lagere veebezetting had dan hij anders gehad zou hebben.

Lees ook: CBb: speelruimte voor positieve uitspraak knelgevallen klein

2/3 artikelen over | Registreer om meer artikelen te lezen.