Deskundige zet vraagtekens bij veevoermaatregel

14-08-2020 | Laatste update op 29-04 | |
Veevoerdeskundige Piet van der Aar constateert dat een groter deel van de voermaatregel is gebaseerd op schattingen dan hij veronderstelde. - Foto: Koos Groenewold
Veevoerdeskundige Piet van der Aar constateert dat een groter deel van de voermaatregel is gebaseerd op schattingen dan hij veronderstelde. - Foto: Koos Groenewold

Zonder een antwoord op zijn vijf vragen, kan de veevoermaatregel niet op waarde worden geschat, vindt veevoerdeskundige Piet van der Aar.

Veevoerdeskundige Piet van der Aar, voormalig directeur van Schothorst Feed Research, heeft als onderzoeker van Stichting Agrifacts (Staf) de veevoermaatregel uitgeplozen. De planning was om dit voor te leggen aan ambtenaren, woensdag 12 augustus. Nu dit gesprek van de baan is, blijft Van der Aar met vragen zitten. “Alleen als deze beantwoord zijn, kan het voorstel van de minister op zijn waarde worden geschat”, vindt hij.

Vanuit mijn expertise ben ik nieuwsgierig naar de berekeningen, voordat een oordeel gevormd is

Vooropgesteld wil Van der Aar wel kwijt dat hij niet twijfelt aan de kwaliteit of integriteit van de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de voermaatregel. De veevoerdeskundige richt zich dus vooral op de vertaalslag die op het LNV-ministerie is gemaakt om met die input tot eiwitnormen in de regelgeving te komen.

Vragen bij voermaatregel

Van der Aar heeft vijf vragen over de onderliggende materie van de voermaatregel.

Van der Aar noemt het nadrukkelijk vragen, geen punten van kritiek. “Vanuit mijn expertise ben ik nieuwsgierig naar de berekeningen, voordat een oordeel gevormd is.”

Verschillende grondsoorten

Van der Aar licht de vragen toe, de eerste twee gaan over de gestelde normen voor de hoeveelheid eiwit op de drie verschillende grondsoorten. “De gemakkelijkste berekening is te maken voor de categorie van bedrijven op zand of löss met een productie van 14.000 tot 20.000 kilo melk per hectare.” Die cijfers zijn te halen uit het CBS-rapport van de mestproductie in 2018. In de toelichting op de maatregel staat als referentie voor deze categorie 200 gram. “Met mijn berekening kom ik uit op 204 gram eiwit per kilo droge stof. Waar dat verschil vandaan komt, geen idee.”

Datzelfde geldt denkt Van der Aar voor de norm voor bedrijven op klei- of veengrond. In diezelfde toelichting op de veevoermaatregelen van het ministerie staat: ‘Vanwege meer maisteelt op klei dan op veen is de onderverdeling op basis van een inschatting bepaald op 168 gram eiwit in ruwvoer voor klei en 175 gram op veen’, wat Van der Aar verbaast. “Een inschatting? Staf heeft bij de rechter gevraagd hoe het ministerie tot deze inschatting komt. Daar kwam geen antwoord op, dus zou het ministerie dit mondeling toelichten. Dat gesprek gaat nu niet door.”

Rekenfout

Het derde en vierde punt waar de veevoerdeskundige vraagtekens bij zet, gaat over de manier waarop het ministerie de beschikbare gegevens heeft gebruikt om tot de uiteindelijke normen in de regeling te komen. “De cijfers die genoemd zijn in de rapporten, om een klasse-indeling naar productie per hectare te maken, gaan allemaal over de hoeveelheid eiwit in het gehele melkveerantsoen, niet over de RE-gehaltes in het krachtvoer. De vraag is of het ministerie diezelfde cijfers over de gehaltes in het krachtvoer kent. Als dat niet het geval is, heeft het ministerie volgens mij een rekenfout gemaakt. Een derde van het totale melkveerantsoen bestaat uit krachtvoer. De rest is ruwvoer. Boeren sturen met krachtvoer bij voor een optimale hoeveelheid eiwit. Het verschil tussen de RE-gehaltes in krachtvoer en ruwvoer, heeft het ministerie daarom door 3 gedeeld. Maar dat zou juist met 3 vermenigvuldigd moeten worden.”

Eiwitten zijn niet zomaar inwisselbaar in het melkveerantsoen

De gevolgen van deze andere manier van rekenen is volgens Van der Aar dat voor intensieve bedrijven, de eiwitnorm een stuk hoger komt te liggen en voor extensieve bedrijven iets lager.

Verschillen in kwaliteit

Het laatste punt wat de veevoerdeskundige wil maken, gaat over de kwaliteit van het eiwit in veevoer. “Het ene eiwit is het andere niet. De regeling heeft het alleen over grammen, niet over verteerbaarheid bijvoorbeeld. Eiwitten zijn daarom niet zomaar inwisselbaar in het melkveerantsoen.” De vraag is of bij het vaststellen van de minimumnorm van 155 gram ruw eiwit in het rantsoen, daar ook rekening mee is gehouden.

Van der Aar hoopt dat het ministerie toch nog met extra uitleg komt en waar nodig bereid is de regeling aan te passen.

van Rooijen

2/3 artikelen over | Registreer om meer artikelen te lezen.