Eenzijdigheden niet goed voor dialoog

03-04 | |
van Bruchem
Cees van Bruchem Landbouweconoom
Foto: Canva
Foto: Canva

Door landbouwkritische organisaties worden regelmatig prestaties van de agrarische sector ongunstiger voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn. Vanuit de sector wordt daar dan – meestal terecht – kritisch op gereageerd.

Aan de andere kant kunnen degenen die het opnemen voor de boerenbelangen er ook wat van. Een greep uit wat ik de afgelopen tijd tegenkwam. Zo zou het aandeel van voedsel in de totale consumptieve bestedingen de afgelopen dertig jaar zijn gedaald van 60 naar 13%. Die 13% is inclusief genotmiddelen als drank en rookartikelen; voor voeding sec is het circa 10%. Rond 1990 was dat zo’n 15%; voor een aandeel van 60% moet je terug naar 1900.

Achterblijven van voedselprijzen

Die daling van het voedselaandeel in de consumptie zou daarnaast vooral veroorzaakt worden door het achterblijven van de voedselprijzen. Dat speelt inderdaad een rol, maar ongeveer twee derde van de daling hangt samen met de toename van de koopkracht van de consument, die dan een groter deel van zijn inkomen aan andere dingen dan voedsel gaat besteden.

De laatste jaren ligt het totale inkomen per huishouden in de land- en tuinbouw gemiddeld rond € 80.000

Ook wordt regelmatig gesteld dat zo’n 30% van de agrarische huishoudens een inkomen beneden het (omgerekende) minimumloon heeft. Op zichzelf is dat juist en zorgelijk, maar het is niet het hele verhaal. De laatste jaren ligt het totale inkomen per huishouden in de land- en tuinbouw gemiddeld rond € 80.000, ruim twee keer het modale huishoudinkomen. Op deze vergelijking valt best wat af te dingen, zoals het verschil in gewerkte uren, maar ze geeft wel aan dat het in de agrarische sector niet allemaal armoe troef is.

Welles-nietesdiscussies

Een laatste punt is de suggestie dat de daling van het aantal boeren er op den duur toe zou leiden dat we voedsel moeten gaan importeren. Zeker voor Nederland, dat ongeveer twee derde van zijn agrarische productie over de grens afzet, is dat nogal vergezocht. Sinds 1950 is de productie ongeveer vijf keer zo groot geworden, terwijl het aantal boeren met ruim 80% afnam. Die daling kun je betreuren, maar de productieomvang wordt niet bepaald door het aantal boeren.

Zulke eenzijdigheden doen het misschien wel goed bij de agrariërs, maar ze leiden vooral tot welles-nietesdiscussies en dragen niet bij aan een zinvolle dialoog over de positie van de landbouw. Dat geldt trouwens evenzeer voor eenzijdigheden van de andere kant.

van Bruchem
Cees van Bruchem Landbouweconoom

2/3 artikelen over | Registreer om meer artikelen te lezen.