Fosfaat is groter natuurprobleem dan stikstof

12-01-2020 | |
van Schaick
Foto: Michel Zoeter - Foto: Michel Zoeter
Foto: Michel Zoeter

Stikstof heeft zeker invloed op de natuur in de Oostelijke Vechtplassen. Maar eigenlijk is voor dit hele Natura 2000-gebied de hoeveelheid fosfaat in het water het grootste probleem, fosfaat van buiten de landbouw, vindt melkveehouder Gerrit van Schaick. Denk dus niet dat een paar maanden langer 130 rijden of een paar boerderijen meer of minder het verschil gaan maken.

Gerrit van Schaick is melkveehouder in Loenen aan de Vecht.

Met mijn broer heb ik een melkveehouderij op 800 meter van een Natura 2000-gebied, de Oostelijke Vechtplassen. Ik heb mij verdiept in de 200 pagina’s tellende gebiedsanalyse die Alterra daarover in 2017 publiceerde. Dit gebied was ooit een groot veenmoeras/veenbos en is door turfwinning en het geschikt maken voor landbouw geworden tot wat het nu is.

Sinds 1960 zijn we met zijn allen het natuuraspect in combinatie met recreatie meer gaan waarderen en terecht de natuurwaarden gaan beschermen. Ik denk dat we met zijn allen ook trots kunnen zijn op dit prachtige gebied.

Diversiteit planten gevolg van menselijk handelen

Er worden tal van dieren en planten terecht beschermd in dit gebied. De diversiteit in de planten in het gebied is gevolg van menselijk handelen. Het turfsteken leidde tot nieuwe veengaten die vervolgens langzaam begroeiden met waterplanten, zodat er weer moeras kon ontstaan waaruit weer heide/riet/gras ontstond en daaruit weer struiken en bos. Meestal trage processen doordat boeren het arme hooiland en het riet maaiden voor strooisel of dakbedekking. Daarnaast was het water vaak arm aan voedingstoffen. Hierdoor ontstond een verscheidenheid aan schraal landschap met een ruime biodiversiteit.

Drinkwatergebruik is toegenomen en poldertjes zijn drooggelegd, waardoor minder nutriënten-arm kwelwater de plassen inkomt

In de 2e helft van de 20e eeuw stopte de turfwinning en het maaien van het riet en de hooilandjes. Met name vanuit de landbouw kwamen veel voedingstoffen terecht in het water wat het proces van verlanding versnelde. Daarnaast is het drinkwatergebruik toegenomen en zijn poldertjes drooggelegd, waardoor minder nutriënten-arm kwelwater de plassen inkomt.

Hoger fosfaatgehalte probleem voor waterplanten

Al met al een hoop veranderingen. Nu willen we graag met zijn allen het gebied houden zoals het is of liever nog een stukje terug in de tijd.

De aanwezigheid van stikstof (en andere voedingstoffen) versnelt vooral het proces van moeras naar struiken en bomen. De beschermde habitattypen kranswieren, (H3149) en krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) zijn daarin relevant. Deze waterplanten zijn de eerste cruciale stap in het verlandingsproces. Voor hen is de huidige stikstofdepositie geen probleem, wel het fosfaatgehalte in het oppervlaktewater. Dat is vanaf de jaren 80 gestaag gedaald, maar stijgt weer sinds 2005.

Alterra-rapport noemt groeiende ganzenpopulatie en opwarming van water als oorzaken van stijging fosfaatgehalte

Gezien de steeds strenger geworden bemestingsnormen en regels rond erfafspoeling is het niet aannemelijk dat die recente stijging van het fosfaatgehalte wordt veroorzaakt door de landbouw. Het Alterra-rapport noemt de toenemende ganzenpopulatie en opwarming van het water als oorzaken daarvoor.

Waterwinning en droogleggingen

Nieuwvorming van jonge trilvenen (drijvende stukjes land in open water, H7140A) treedt niet op als gevolg van het onvoldoende aanwezig zijn van de kranswieren, krabbenscheer en fonteinkruiden. Er is nog 20 hectare van deze habitat aanwezig. Het areaal is na 1950 afgenomen door het ontbreken van kwelwater (waterwinning en droogleggingen) en veranderingen in het maaibeheer.

De aanwezige jonge trilvenen worden in stand gehouden door maaibeheer. Het areaal groeit weer sinds 1990. De stikstofdepositie is voor de trilvenen te hoog, maar de kritische waarde is voor dit habitattype wel haalbaar met extra beheer. Het fosfaatgehalte in het oppervlaktewater is voor de jonge trilvenen het grootste probleem.

Geen jong trilveen is geen nieuw veenmosrietland

De veenmosrietlanden (grotere stukken drijvend land, H7140B) zijn de volgende stap. Ze ontstaan uit de jonge trilvenen. Maar omdat de jonge trilvenen niet meer ontstaan, vormen ook geen nieuwe veenmosrietlanden. Er is 34 hectare van deze habitat aanwezig. De habitat is afhankelijk van beheer, de opslag van bomen moet verwijderd worden.

De stikstofdepositie heeft grote invloed op deze habitat. Het verschil tussen de huidige depositie en de kritische depositie is echter zo groot (circa 800 mol) dat het niet realistisch is te denken dat het verlagen van de stikstofuitstoot enig nut op deze habitat gaat hebben.

Blauwgraslanden (H6140) kunnen ontstaan uit de veenmosrietlanden. Ze zijn door ophoging/ontwatering en bemesting vervallen. Blauwgraslanden zijn afhankelijk van arm water, dus van kwelwater. Dit habitat ondervindt nu beperkt schade door de stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde is wel haalbaar. Dit habitat is stabiel in omvang sinds 2000.

Ook de vochtige heiden (H4010B) kunnen ontstaan uit de veenmosrietlanden. Ze kunnen ook ontstaan uit verzuurd blauwgrasland en door afplaggen. Maaibeheer is voor dit habitat erg belangrijk. Er is 1,4 hectare aanwezig. Voor deze habitat is de overschrijding van de kritische stikstofdepositie zo groot, dat het niet realistisch is te denken dat verlagen van de stikstofuitstoot enig effect zal hebben.

Hoogveenbossen (H91D0) ontstaan uit de veenmosrietlanden als er geen beheer (verwijderen jonge bomen en struiken) wordt toegepast. Er zal dan simpelweg een bos ontstaan. Dit is de laatste fase in het proces van verlanding. De stikstofdepositie is geen probleem voor de hoogveenbossen.

Stikstofverlaging zinvol voor trilveen en blauwgrasland

Stikstof heeft dus zeker invloed op de natuur in de Oostelijke Vechtplassen. Alleen voor de trilvenen en de blauwgraslanden is het mijns inziens realistisch om te denken dat we door de uitstoot van stikstof te verlagen een positief effect bereiken. De blauwgraslanden zijn een habitat op zich, daar zijn verder geen soorten van afhankelijk. Daarnaast zijn de blauwgraslanden meer gebaat bij zeer arm (kwel)water dan bij een lage stikstofdepositie.

Realistische doelen stellen

De trilvenen hebben ook baat bij een lagere stikstofdepositie. Echter, voor deze habitat (en eigenlijk voor het hele gebied) is het grootste probleem de hoeveelheid fosfaat in het water.

We moeten dus zeker niet denken dat een paar maanden langer 130 rijden of een paar boerderijen meer of minder het verschil gaat maken.

Maak niet met grote spoed zinloze, geldverslindende regels die boerengezinnen tot wanhoop drijven

Laten we met zijn allen nu eerst eens goed onderzoek doen hoe het nu het echt zit met de stikstofuitstoot en -depositie van de industrie, landbouw en het verkeer. Laten we met zijn allen bedenken hoe we de toekomst van Nederland voor ons zien en realistische doelen stellen, en niet weer met grote spoed zinloze geldverslindende regels maken en zo vele boerengezinnen tot wanhoop drijven.



Beheer