Geen broeiverlies, meer melk en gezondere dieren

20-11-2019 | |
Foto: Ton Kastermans -
Foto: Ton Kastermans

Voercentrum Gelderse Vallei jubileert met tevreden deelnemers. Zij zien meer rendement bij een toch fors hogere kostprijs voor voeren.

Voercentrum Gelderse Vallei in Woudenberg (U.) bestaat vijf jaar. Het centrum, opgezet door Marco van der Wind, Maarten Wolswinkel en Walter Roubos, heeft de wind in de zeilen. Het concept blijkt te werken: gras en mais van individuele veehouders worden na de oogst op een centrale plek ingekuild, bijproducten worden centraal opgeslagen en boeren krijgen het maanden later gemengd als rantsoen terug.

“Onze deelnemers zijn tevreden”, zegt medeoprichter en deelnemer Marco van der Wind. “Ze ontvangen vier dagen per week een sterk, constant product, maar ze worden bovenal ontzorgd. Ze hoeven niet meer te investeren in eigen ruwvoeropslag, voermengwagens en arbeid.”

Regionale voercentra zijn in Nederland geen doorslaand succes. In 2013 ging voercentrum Friesland zelfs failliet. De drie compagnons besloten hun voercentrum daarom kleinschaliger te houden. In het najaar van 2014 gingen ze van start met zes deelnemende melkveehouders (450 koeien en 180 hectare). Vijf jaar later zijn dat er elf. Van hen zijn negen melkveehouder en samen brengen ze 660 koeien en 290 hectare in. De andere twee hebben grondloze geitenbedrijven met in totaal 2.000 melkgeiten. Van der Wind: “Zij brengen mais en bijproducten in, die ze in overleg door ons laten inkopen. Door die verbreding kunnen wij onze melkveehouders een gevarieerder rantsoen bieden, terwijl geitenhouders er gras voor terugkrijgen.”

Mee met de trends

De werkwijze van Voercentrum Gelderse Vallei is de afgelopen jaren niet veranderd. In de periode voor de oogst wordt wekelijks bemonsterd. Dat gebeurt opnieuw tijdens het inkuilen op het voercentrum, vervolgens gaat het product de weegbrug op. “Per bedrijf registreren we gewicht, silagekwaliteit en hoeveelheid kilo’s droge stof. Tijdens het uitkuilen betaalt de boer voor de hoeveelheid product die hij afneemt minus een twaalfmaandelijks tegoed voor het geleverde voer. Kwaliteitswaardering gebeurt via een formule”, legt Van der Wind uit.

Hij kan precies oplepelen wat de resultaten van dit jaar waren. De eerste snede van 1 en 15 mei gaf een drogestofopbrengst van 4.700 kilo en de tweede snede noteerde 3.700 kilo droge stof. De derde en vierde gaven samen 3.100 kilo droge stof. In totaal was dit 20% meer dan vorig jaar. Ook mais doet het dit jaar aanzienlijk beter. Van der Wind verwacht 16 tot 18 ton droge stof, terwijl dat in 2018 12 ton was.

Door klein te blijven, houden we iedereen betrokken. Het hoeft geen duiventil te worden

Het voercentrum probeert ook mee te gaan in nieuwe marktontwikkelingen. Zo anticipeerde het centrum op de ‘80-20-regel’ van gras en mais door in te zetten op ontsloten graan. Van der Wind: “Dat is geplette tarwe, die we met enzymen en ureum mengen. Dat verhoogt de ph, eiwit stijgt naar 16% en de verteerbaarheid is rustiger en beter. Zo kunnen we mais deels vervangen.” Een ander voorbeeld is de introductie van Vlog. Om die reden is het voercentrum twee jaar geleden al gestopt met soja in het rantsoen.

Meer besparing dan meerkosten

Wekelijks kuilt Voercentrum Gelderse Vallei 170 ton uit voor de negen melkveebedrijven. De geitenbedrijven halen 30 ton per week. Transport en het mengen van het voer worden door het voercentrum gedaan. Wat dat betekent voor het verdienmodel? “We zijn duurder dan loonvoeren. Bij de loonwerker kost voeren 1,5 cent per kilo melk, bij ons is dat 2,5 tot 3 cent”, vertelt Van der Wind. “Maar je bespaart meer. Denk aan aanrijden, bemonsteren, plastic, inkuilmiddelen, aanleg van sleufsilo’s en arbeid.”

Bedrijfsresultaten zijn bovendien goed. “Onze deelnemers krijgen een constant product met nauwelijks broeiverliezen. Ze halen gemiddeld 9,5% meer melk met dezelfde krachtvoerinput en dierenartsen zien een betere diergezondheid.”

Voercijfers worden onderling ook gedeeld en deelnemende boeren waarderen die transparantie. Kleinschaligheid is echter de grootste kracht, stelt Van der Wind. “We zijn een hechte club en hebben geen ambitie om uit te breiden. Alleen als iemand uitstapt, mag er iemand bij. Door klein te blijven, houden we iedereen betrokken. Liever kleinschaligheid en continuïteit dan een duiventil. Iedereen kent elkaar, we wonen op korte afstand van elkaar.”

Brummelaar
Theo Brummelaar Freelance redacteur
Meer over



Beheer