Hoeveel veehouders houden perspectief, en andere vragen waarop de ministers (geen) antwoord geven

22-06 | |
Minister van landbouw Henk Staghouwer en stikstofminister Christianne van der Wal. - Foto: ANP
Minister van landbouw Henk Staghouwer en stikstofminister Christianne van der Wal. - Foto: ANP

De stikstofaanpak van minister Christianne van der Wal heeft geleid tot 210 schriftelijke vragen vanuit de Tweede Kamer. Landbouwminister Henk Staghouwer kreeg 75 vragen over het perspectief voor de boeren. De ministers gaven deze week antwoord. Een kleine selectie van de antwoorden in samenvatting.

Hoeveel veehouders hebben nog perspectief in Nederland?

Op die vraag geeft minister Staghouwer geen concreet antwoord. Hij stelt dat het aantal veehouders in de afgelopen decennia gestaag is gedaald en dat die daling zich zal voortzetten. Daarbij geeft hij aan dat 37% van de melkveehouders 55 jaar of ouder is en geen opvolger heeft; dat geldt voor 60% van de varkenshouders en 50% van de pluimveehouders. De minister wil geen blauwdruk neerleggen, maar de ruimte laten aan ondernemers om keuzes te maken die passen bij hun omstandigheden. Staghouwer doet geen voorspelling over het inkomensniveau van de veehouders binnen de kringlooplandbouw.

De minister wil kritische prestatie-indicatoren (kpi) instellen, wat houdt dat in?

De kpi’s hebben tot doel dat boeren (nog) duurzamer gaan produceren. Er komt in elk geval op het gebied van dierenwelzijn een kpi voor diergericht ontworpen houderijsystemen. De minister heeft kpi’s aangekondigd voor de stikstofefficiëntie, de ammoniakemissie, het fosfaatoverschot, de eiwitvoorziening van eigen land, de uitstoot van broeikasgassen, de milieubelasting met gewasbescherming, de organische stofbalans, grondbewerking en blijvend grasland, vasthouden van water, gewasdiversiteit, aandeel natuur en landschap, dierenwelzijn en diergezondheid. De minister wil over de uitwerking van de kpi’s overleggen met de sector en de Tweede Kamer. Hij wil onder meer gebruik maken van in de praktijk opgedane ervaring.

Worden PAS-melders extra geholpen met de gebiedsgerichte aanpak?

Nee. De PAS-melders krijgen stikstofruimte via de opkoopregelingen (sanering varkenshouderij, landelijke beëindiging veehouderij en gerichte aankoop veehouderijen bij natuurgebieden). PAS-melders kunnen wel betrokken worden bij de gebiedsgerichte aanpak.

Wordt in de plannen rekening gehouden met de sociaaleconomische effecten?

Ja. Er wordt in de gebiedsplannen een sociaaleconomische impactanalyse opgenomen. Maar de sociaaleconomische effecten kunnen niet het argument zijn om geen natuurmaatregelen te treffen.

Welke rol krijgt de ecologische autoriteit?

De ecologische autoriteit zal – op basis van wetenschappelijke gegevens – beoordelen of de gebiedsplannen daadwerkelijk tot een verbetering van de natuur leiden. De ecologische autoriteit moet in de loop van dit jaar worden ingesteld. De ecologische autoriteit kan ook vaststellen dat er natuurherstel is in gebieden waar dat op basis van de stikstofdepositie niet zou worden verwacht.

Als de gebiedsplannen te weinig natuurherstel opleveren, wat dan?

Dat moet eerst worden vastgesteld door de ecologische autoriteit. De minister denkt op basis van de Omgevingswet instructies te kunnen geven aan provincies, of zelf besluiten te nemen of maatregelen te treffen. Zij kan daarbij ook zelf overgaan tot de verwerving van grond. Daarvoor moet echter wel een ‘grondinstrumentarium’, een grondbank, worden ontwikkeld.

Wanneer gaat de overheid over tot onteigening?

Volgens minister Van der Wal zal in gebieden waar de natuur er slechter aan toe is eerder het onteigeningsinstrument worden ingezet. Maar ook daar is vrijwilligheid de eerste inzet. Verplichte uitkoop of intrekking van vergunningen zijn ook opties. Het moet uit de gebiedsplannen blijken, wanneer daartoe wordt overgegaan. De gebiedsplannen moeten op 1 juli volgend jaar klaar zijn. Als er al sprake is van onteigening, zal dat daarna gebeuren.

Kunnen provincies afwijken van de doelstellingenkaart?

Ja. Provincies kunnen binnen de gebiedsplannen hun eigen keuzes maken, waarbij de doelstellingen leidend zijn. Provincies kunnen daar gemotiveerd van afwijken.

In de doelstellingenkaart zijn ook buffers aangebracht rond gebieden waar geen overschrijding is van de kritische depositiewaarde. Waarom?

De minister wil voorkomen dat de stikstoflast in die gebieden gaat toenemen. De doelen die de minister stelt zijn echter “niet rechtstreeks gebaseerd op wetenschappelijke onderzoeken, maar de uitkomst van politieke besluitvorming (..)”, aldus de minister.

Houdt het kabinet rekening met het ‘plattelandsleven’?

De minister wil dat er aandacht is voor mensen die wonen, werken, opgroeien en recreëren in het landelijk gebied. Provincies moeten daarvoor zorgen. Provincies kunnen ook bepalen of er aanvullend (flankerend) beleid moet zijn of dat er maatregelen moeten worden genomen om de effecten op de leefomgeving te beperken.

Braakman
Jan Braakman Redacteur
Meer over


Beheer