Krimp dreigt voor koploper in kalveren

17-07-2021 | |
De afdeling uitbeenderij voor kalfsvlees van de Nederlandse VanDrie Group. - Foto: ANP
De afdeling uitbeenderij voor kalfsvlees van de Nederlandse VanDrie Group. - Foto: ANP

De Nederlandse vleeskalverhouderij krijgt veel voor de kiezen. Wat zijn de gevolgen van de bedreigingen die op de sector afkomen? Voor VanDrie Group, de grootste kalfsvleesintegratie in Nederland en marktleider in de EU, is het vooral kansen zoeken en risico’s spreiden.

Nederland is groot in kalfsvlees. De Nederlandse VanDrie Group is zelfs een van de grotere spelers ter wereld op het gebied van kalfsvlees. In Europa is VanDrie marktleider met een marktaandeel van 28%. De kalfsvleessector is een miljardenbusiness. De VanDrie Group, waar 25 bedrijven in binnen- en buitenland onder vallen, heeft alleen al een totale omzet van € 2,2 miljard.

Hoe lang is Nederland nog koploper?

Maar hoe lang nog is Nederland koploper in kalveren? Alle scenario’s in de scenariostudie over de kalverhouderij die het ministerie van Landbouw dit voorjaar naar buiten bracht, leiden tot (forse) krimp. In een scenario verdwijnt de kalversector zelfs helemaal omdat melkveehouders hun kalveren daarin zelf gaan afmesten. “Mijn eerste reactie was: moeten we dit serieus nemen”, zegt kalverhouder en VVK-voorzitter (Vereniging van Kalverhouders) Hans Luijerink. “Een beetje out of the box denken is niet verkeerd. Maar dit is wel heel onrealistisch.” De kalverhouder schrikt er niet meer van. “Ik herinner me een rapport uit 1997 waarin gesteld werd dat de kalverhouderij binnen tien jaar zou verdwijnen uit Nederland. Dat zegt genoeg.”

Ook andere sectordeskundigen doen de scenariostudie af als onrealistisch met een veel te simpele voorstelling van zaken en een rol voor melkveehouders die daar niet op zijn toegerust. Ondanks dat het ministerie zich haast te zeggen dat het louter een verkennende studie is, gaf het wel munitie aan de linkse partijen inclusief ChristenUnie en D66 om te pleiten voor fors ingrijpen in de kalverhouderij. Daarbij worden termen gebruikt als ‘stoppen met import’ en ‘invoeren van kalverrechten’.

Corona erin gehakt

Eén ding is glashelder: de veehouderij ligt onder vuur, aangejaagd door stikstof met broeikasgassen in het kielzog. De kalversector blijft niet buiten schot. Integendeel; de Veluwe, het hart van de kalverhouderij in Nederland, ligt qua stikstof in de frontlinie waarbij opkoop van piekbelasters tot en met studies voor het volledig vee-vrij maken de revue passeren. Naast de lopende welzijnsdiscussies (Wet dieren) komt daar specifiek voor de kalverhouderij de import van kalveren van verre bestemmingen bij voor de Nederlandse kalverhouderij.

Eén ding is glashelder: de veehouderij ligt onder vuur, aangejaagd door stikstof met broeikasgassen in het kielzog

Dit speelt zich af in een sector waar anderhalf jaar coronacrisis er flink heeft ingehakt. De kalverhouderij leunt zwaar op de export van vlees naar landen als Italië en Frankrijk en specifiek de foodservice. Juist deze consumptie viel grotendeels weg, waardoor vleesprijzen kelderden. Kalveren bleven langer staan en de leegstand bij kalverhouders die op contract werken, liep op. Inmiddels is de situatie verbeterd, maar het financieel geslagen gat is groot. Bovendien blijft een dreiging van lockdowns en marktverstoringen door de coronacrisis boven de markt hangen.

Minder importkalveren

De onderwerpen waar de sector vandaag de dag mee dealt, komen niet uit de lucht vallen. Twee jaar geleden heeft brancheorganisatie SBK (Stichting Brancheorganisatie Kalversector) een eigen sectorplan gemaakt ‘versnelling verduurzaming kalverhouderij’. Het plan heeft drie speerpunten: beperken stalemissies, verbeteren diergezondheid en welzijn en verbeteren aanvoer kalveren door onder andere minder kalverimport.

Import van kalveren is het meest ingrijpend voor de toekomstige structuur. Van de jaarlijks circa 1,6 miljoen benodigde kalveren komt ongeveer de helft uit het buitenland. Veruit de meeste van deze kalveren worden geïmporteerd uit Duitsland, België/Luxemburg en Ierland. Het zijn vooral de kalveren uit dat laatste land en de Baltische Staten waar de grootste kritiek op is vanwege de lange reistijden. Dierwelzijnsorganisaties pleiten voor maximale reistijden van 8 uur. Demissionair landbouwminister Carola Schouten heeft in een Kamerbrief ook aangegeven Europees toe te willen naar deze maximale transportduur.

In het sectorplan legt de sector zelf de ambitie neer om de import in 2030 met 20% te hebben afgebouwd. Alle kalveren moeten dan uit Nederland en omringende komen. Dit streven lijkt niet te wringen met de wensen van Schouten en welzijnsorganisaties; een transporttijd van 8 uur is zo’n 500 tot 600 kilometer en daarmee is het grootste deel van de belangrijkste kalverleverancier, Duitsland, bereikbaar. Dat land is goed voor bijna driekwart van de import van buitenlandse kalveren.

‘Kop erbij houden’

Dat de kalverhouderij gaat krimpen is een gegeven. Het kan 100% zijn als één van de scenario’s uit de scenariostudie bewaarheid wordt, de helft als sommige politieke partijen hun zin krijgen of met 10 tot 20% wat de sector in het eigen sectorplan voor ogen heeft.

Vooralsnog verwachten sectordeskundigen een beperkte krimp waarbij het aantal bedrijven sneller daalt dan het aantal kalveren. “Laten we de kop erbij houden en vasthouden aan de speerpunten die we als sector hebben geformuleerd”, drukt Wim Thus, voorzitter van de LTO-vakgroep Vleeskalverhouderij op het hart.

Thus ziet ook dat er veel op de sector afkomt, maar dat het feitelijk niet veel anders is dan twee jaar geleden. “De lat ligt hoog wat tot een versnelde autonome krimp leidt. Die hebben wij ook voorzien.” Belangrijk vindt hij dat de sector tijd en ruimte krijgt om te blijven innoveren om daarmee blijvers nieuwe kansen te geven.

Thus benadrukt de unieke band die de kalverhouderij met de melkveehouderij heeft en dat de sectoren elkaar ook in de toekomst nodig hebben. “We werken bijvoorbeeld steeds nauwer samen om de gezondheid te verbeteren.”

Laten we de kop erbij houden en vasthouden aan de speerpunten die we als sector hebben geformuleerd

Wim Thus, voorzitter van de LTO-vakgroep Vleeskalverhouderij

Kritische massa

De vraag is of er een minimaal aantal kalveren nodig is om een voldoende vitale en sterke sector te behouden waar ruimte is voor innovatie en ontwikkeling. Met andere woorden: is er zoiets als een kritische massa in de kalverhouderij? Die grens is niet gemakkelijk te bepalen geeft Henk Bekman, secretaris van brancheorganisatie SBK, aan. “Een kleinere sector is op zich niet erg. Belangrijker is dat de sector tijd krijgt om naar een andere omvang toe groeien, rekening houdend met bijvoorbeeld afschrijftermijnen van investeringen.” Elke suboptimale structuurverandering gaat ten koste van het verdienmodel en daarmee de concurrentiepositie. “Een daling van 20% is wel een beetje het maximale om de sector in de benen te houden”, schat Marijke Everts, directeur corporate affairs bij VanDrie Group.

Bescheiden krimp heeft voor de voerproductie en slachterijen in eerste instantie niet veel gevolgen als dat geleidelijk gaat. Slachterijen moeten wel voldoende capaciteit behouden om concurrerend te blijven en interessante markten (ook buiten de EU) te kunnen bedienen. Dat is nodig om de vierkantsverwaarding op orde te houden. Vierkantsverwaarding en daarmee een afzetmarkt voor courante en minder courante delen van het kalf, is cruciaal.

Everts zegt dat VanDrie inzet op het spreiden van risico’s en dat blijft doen. Zo is het concern met Melkweg steeds prominenter actief in de handel in zuivelgrondstoffen en kan het bedrijf met de zuivelhandel en vleesproductie schakelen in meerdere landen. Ook de waaier van kanalen met kalfsvleesafzet moet zo breed mogelijk zijn.

Strategische keuzes

En stel nu dat de krimp toch harder gaat dan nu verwacht. Is het dan denkbaar dat de vleeskalverhouderij verplaatst naar andere delen van Europa? Zuid-Europa ligt dan het meest voor de hand omdat Frankrijk en Italië al een infrastructuur hebben en belangrijke afzetgebieden zijn voor Nederlands kalfsvlees. VanDrie is daar al actief met contracten met kalverhouders, slachterijen (onder andere Sobeval en Tendriade) en productie van kalvermelk en ruwvoer. Ook Denkavit, melkpoederproducent en de tweede integratie van Nederland, heeft bedrijven in de diverse landen.

“Ik zie het niet gebeuren”, zegt Bekman van SBK. Hij benadrukt dat de problemen waar de Nederlandse sector mee te maken heeft ook in andere landen voelbaar zijn. Met andere woorden: beperkingen zijn er overal. Daarbij is de kalverhouderij nauw verbonden met de melkveehouderij, ook uit de ons omringende landen. Als Nederland ze zelf niet kan afmesten, betekent dat opnieuw verplaatsing van grote aantallen jonge kalveren. Maar een eenvoudig antwoord is niet mogelijk omdat de ontwikkeling van een sector van veel factoren afhankelijk is.

Investeren in bestaande markten

Volgens Everts is het vanuit VanDrie bezien logischer om in bestaande markten te investeren dan in nieuwe landen te beginnen. Maar het zijn strategische keuzes waar het bedrijf de komende jaren een richting in zal zoeken, ook afhankelijk van (markt)ontwikkelingen in de diverse landen. Ze hoopt en verwacht evenwel dat de Nederlandse kalversector de thuisbasis kan blijven. “We hebben een zeer efficiënte en innovatieve sector.”

Kalverhouder Luijerink hoopt vooral dat het boerenverstand terugkeert in de discussies. “We importeren veel rundvlees uit bijvoorbeeld Zuid-Amerika, terwijl we in Europa op een zeer duurzame manier rund- en kalfsvlees produceren. Stimuleer dat. Polarisatie en framing zijn een groter gevaar dan wat er feitelijk aan de hand is.”

Stevens
René Stevens Freelance redacteur


Beheer