Landschapsinclusief, zo gaat dat in de Krimpenerwaard

Beeld van Krimpenerwaard. - Foto: Roel Dijkstra/Fred Libochant
Beeld van Krimpenerwaard. - Foto: Roel Dijkstra/Fred Libochant

Melkveehouders in de Krimpenerwaard zijn niet echt overtuigd van het toekomstbeeld ‘landschapsinclusieve landbouw’ dat het College van Rijksadviseurs opstelde. Ze denken kritisch mee.

Het regent plannen voor en visies op de landbouw. Een opmerkelijk verhaal kwam onlangs van het College van Rijksadviseurs (CRa). Dat wil ‘landschapsinclusieve landbouw’. Maar wat is dat nou weer? Volgens de bedenker, Rijksadviseur Berno Strootman, is ‘landschapsinclusief’ een ‘intelligente vorm van landbouw waarbij de productie van voedsel bijdraagt aan een aantrekkelijk, biodivers en toegankelijk landschap met daarin aandacht voor erfgoed, schoonheid en voor de mensen die er wonen en werken.’

Landschapsinclusief gaat dus net iets verder dan ‘natuurinclusief’, een term die vooral gebruikt wordt als het gaat om biodiversiteit en agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Bij landschapsinclusieve landbouw gaat het ook om gezond voedsel, schoon water, schone lucht en een vitale bodem. Voorwaarde is, zo vinden de uitvinders van het begrip, dat de boer een ‘eerlijk inkomen’ verdient. Een toekomstbeeld voor 2050 is beschreven in het rapport ‘Op weg naar een New Deal tussen boer en maatschappij’ dat onlangs verscheen.

Pionieren

In het veenweidegebied in de Krimpenerwaard zijn ze ermee aan het pionieren. In dit gebied in Zuid-Holland was een van de drie pilots die in verschillende regio’s in Nederland zijn gehouden om te bekijken hoe die landschapsinclusieve landbouw er concreet uit zou zou moeten zien. Uitgangspunt van de pilot in het veen was dat landbouw in het landschap hoort en dat het geen moerasgebied wordt. Maar hoe wordt die melkveehouderij op veen dan landschapsinclusief?

De rode draad is dat de landbouw duurzaam moet, maar daar zijn goede randvoorwaarden voor nodig

De Krimpenerwaard, landschappelijk ook wel ’het kroonjuweel’ van Zuid-Holland genoemd, heeft volgens het rapport een van de meest waardevolle en kenmerkende landschappen van Nederland. Een cultuurhistorisch landschap, grotendeels gemaakt door boeren, dat al eeuwenlang bestaat en waar boeren honderden jaren geleden omschakelden van akkerbouw naar melkveehouderij.

Minder extensief

De melkveehouderij in het gebied is relatief extensief. De productie is jaarlijks rond de 100 miljoen liter melk (meer kerncijfers in het kader). Zoals overal liggen er ‘gebiedsopgaven’, ofwel kwesties rondom duurzaamheid en milieu. Hier gaat het vooral over stikstof- en CO2-uitstoot en, net als elders in veenweidegebieden, beperking van de bodemdaling. Dat laatste is een complex verhaal. Want een hoger waterpeil remt de uitstoot van CO2, maar een hoog peil veroorzaakt weer andere broeikasgassen zoals methaan en lachgas waardoor het beoogde effect deels weer teniet wordt gedaan.

Op het gebied van de zorg voor weidevogels, biodiversiteit en weidegang gebeurt al heel veel, stellen de elf deelnemers aan de pilot, verenigd als Boeren van de Krimpenerwaard. Melkveehouder Tineke Vermeulen-Rehorst uit Berkenwoude is één van die elf. “We hebben de Rijksadviseurs een middag meegenomen het veld in en laten zien wat we hier allemaal voor elkaar krijgen om de biodiversiteit in het landschap te vergroten. Door slootkantenbeheer zie je bijvoorbeeld steeds diversere vegetatie en echt niet alleen maar Engels raaigras.”

Vermeulen deed mee aan de pilot om de betrokkenheid van de boeren te laten zien. “Laten zien hoe mooi de Krimpenerwaard en hoe leuk landbouw is.” De rode draad is dat de landbouw duurzaam moet, maar daar zijn volgens haar goede randvoorwaarden voor nodig. “Ik kan het niet uit eigen zak betalen, zo simpel is het.”

Op het boerenbedrijf dat ze zes jaar geleden met haar ouders en man heeft overgenomen zit een flinke financiering. Naast boerin is ze accountant in de stad, want van het melkveebedrijf kan ze niet eten. Ze merkt dat stedelingen weinig weten over het boerenbedrijf en dat was nog een reden voor deelname aan de pilot. “Ik denk dat ons verhaal in de beeldvorming ook wel wat bijsturing kan gebruiken.”

Lees verder onder foto

Melkveehouder Tineke Vermeulen-Rehorst uit Berkenwoude is één van die elf melkveehouders die meedoen aan de pilot. - Foto: Roel Dijkstra/Fred Libochant
Melkveehouder Tineke Vermeulen-Rehorst uit Berkenwoude is één van die elf melkveehouders die meedoen aan de pilot. - Foto: Roel Dijkstra/Fred Libochant

Enthousiasme

“Als mensen uit de stad zien en kunnen beleven hoe mooi het gebied is, hebben ze er ook meer geld voor over”, zegt Karen de Groot. Ze is als landschapsarchitect betrokken bij de totstandkoming van het rapport. “Wat mij opviel is het grote enthousiasme waarmee boeren spraken over wat ze allemaal doen voor de natuur. Planten die terugkomen in de sloten door slootkantenbeheer. En dat werkte aanstekelijk. We moeten in gesprek met en niet over de boer.”

De ruime, open veenpolder met graslanden, slootoevers en specifieke vegetatie heeft volgens de landschapsarchitect biodiversiteit als belangrijkste kwaliteit. Tijdens de excursie in de polder zag ze hoe trots de boer was op de weidevogels in het gebied. “En net als de landbouw horen die al eeuwenlang in dit landschap.” Ook burgers spreekt dit aan, het is een goede manier om met elkaar in gesprek te komen, meent De Groot.

Meetlat

Landschapsinclusief is een abstract begrip. Om het tastbaar te maken, is een speciale meetlat ontwikkeld door Jan Willem Erisman, tot voor kort directeur van het Louis Bolk Instituut. De meetlat is een lijst van indicatoren waaraan het ‘nieuwe’ toekomstige boerenbedrijf zou moeten voldoen. De meetlat beschrijft doelen voor tien thema’s: klimaat, bodemkwaliteit, waterkwaliteit en -kwantiteit, biodiversiteit en natuur, gesloten kringlopen, landschaps- en voedselkwaliteit en -kwantiteit, dierenwelzijn en economie.

Niet in elk gebied in Nederland spelen alle thema’s van die meetlat een rol. Voor de Krimpenerwaard ligt de focus vooral op beperking van de bodemdaling, en CO2– en stikstofuitstoot (klimaatdoelen) en verhoging van de biodiversiteit.

Uit de pilot komt naar voren dat de lat niet altijd op 100% moet liggen. Dat je niet al deze doelen op elkaar moet stapelen, maar moet kijken naar wat haalbaar is binnen de grenzen van de melkveehouderij in het gebied. Erisman: “Daarnaast moet je boeren vooral niet zeggen hoe ze het moeten doen. Je moet ze de vrijheid geven, met een (financiële) stok achter de deur, voor als de doelen niet gehaald worden.”

Halvering van het aantal koeien per hectare, wat sommigen bepleiten, is voor Erisman niet de weg. “Je kunt ook denken aan lichtere rassen. Het gaat om het evenwicht. Laat de boer zelf uitzoeken hoe hij de doelen wil realiseren.”

Kloof

Er is nog wel een kloof te overbruggen. De boeren die meededen aan de pilot herkennen zich niet in het rapport. Er worden volgens hen twee werkelijkheden geschetst: die van de huidige situatie en die vanuit beleidsdoelen. Ze vinden dat ze gezien de mogelijkheden van vergoedingen en marktprijzen al veel doen en er is volgens hen onvoldoende draagvlak in het gebied voor het perspectief voor 2050. De ambities hebben grote gevolgen voor de verdienmodellen en zijn volgens de boeren niet realistisch.

Daarom stelden ze zelf een lijst samen van wat wel en wat juist niet zou moeten (zie kader). Het is volgens hen een gezamenlijke opgave van de samenleving, zodat de twee werkelijkheden weer één kunnen worden.

Boeren kunnen niet groen zijn terwijl ze rood staan

Volgens Erisman is het belangrijk dat dit gebied economisch onderhouden kan worden. “Wie onderhoudt het gebied als boeren vertrekken?” De Groot vult aan: “Ik wil wel, maar ik kan niet, hoor ik de veehouder zeggen. Bijvoorbeeld doordat regelgeving tegenwerkt.”

Rijksadviseur Strootman, medeauteur van het rapport: “Stel daarnaast als overheid duidelijke langetermijndoelen, zodat boeren weten dat ze de grote investeringen die ze moeten doen terug kunnen verdienen.” Naast kennis is klinkklare munt nodig, stelt hij. “Boeren kunnen niet groen zijn terwijl ze rood staan. Zonder financiële steun, vergoedingen via het nieuwe GLB en een hogere prijs voor producten, komt er geen ’duurzaam gestapeld’ verdienmodel. De boer speelt een belangrijke rol, maar de grootste transitie is voor de maatschappij. Dat kost tijd en geld. We weten allang dat het anders moet en hebben te lang onze ogen ervoor gesloten.”

Om positief te eindigen vertelt Strootman dat minister Schouten van LNV heeft aangegeven aan te willen haken bij de vervolgstappen in de Krimpenerwaard. “Nu we in gesprek zijn met elkaar is het zaak om door te pakken en processen in gang te zetten. Want de landbouwtanker moet van koers veranderen.”

Hoekstra
Tineke Hoekstra Freelance redacteur


Beheer