Limagrain: veredeling eiwitgewassen vergt input keten

05-01 | |
Ton Wouda is commercieel manager akkerbouw bij Limagrain Nederland. Wouda ziet de aandacht voor peulvruchten vanuit de voedingsindustrie langzaam toenemen. - Foto: Limagrain
Ton Wouda is commercieel manager akkerbouw bij Limagrain Nederland. Wouda ziet de aandacht voor peulvruchten vanuit de voedingsindustrie langzaam toenemen. - Foto: Limagrain

Binnen veredelingsbedrijf Limagrain zijn peulvruchten vooralsnog een klein onderdeel. De aandacht voor peulvruchten vanuit de voedingsindustrie neemt echter toe, merkt Ton Wouda. Om veredeling van eiwitgewassen voor voeding tot een succes te maken, is input uit de keten nodig.

Veredeling vormt de basis van het succes van de eiwittransitie. Daarvan is Ton Wouda, commercieel manager akkerbouw bij Limagrain Nederland, overtuigd. Het veredelingsbedrijf zet in op de veredeling van veldbonen voor teelt in Nederland en daarbuiten (Noordwest-Europa). De afzet van veldbonen richting de voedingsindustrie is nog miniem, maar Wouda ziet mogelijkheden. “Daarvoor hebben we wel input uit de voedingsketen nodig.”

Limagrain is wereldwijd de nummer 4 in zaaizaden. Het bedrijf is actief in de veredeling van landbouwzaden en groentezaden, maar lokaal ook in de productie van graaningrediënten en bakkerijproducten. De belangrijkste landbouwgewassen voor het bedrijf zijn mais, granen, koolzaad en zonnebloemen.

Strategisch belang peulvruchten

Het onderdeel peulvruchten is binnen de akkerbouwactiviteiten vooralsnog een klein onderdeel, maar van mogelijk groot strategisch belang voor de toekomst. Wouda ziet de aandacht voor peulvruchten vanuit de voedingsindustrie langzaam toenemen. Het is echter de vraag hoe snel die aandacht doorwerkt in de hele keten en resulteert in grotere arealen en een goed rendement voor de boer. Dat zijn voor Limagrain belangrijke graadmeters om te bepalen hoeveel perspectief er voor de veredeling is.

Waarom is input uit de voedingsketen zo belangrijk voor het veredelen van veldbonen voor humane consumptie?

“We hebben veel ervaring in het veredelen van eiwitgewassen zoals erwten en bonen. Landbouwkundig weten we heel goed waar een goed eiwitgewas aan moet voldoen. We ontwikkelen gezonde, stevige, oogstzekere rassen die een hoge (eiwit)opbrengst geven. Ook de eigenschappen die gewenst zijn voor gebruik in veevoer, vooralsnog de grootste afzetmarkt, zijn bij ons grotendeels bekend. Nu er door de eiwittransitie langzaamaan meer aandacht komt voor het gebruik van plantaardig eiwit als halffabricaat in humane voeding, zijn peulvruchten opnieuw in beeld.

Voor Nederland hebben we ons gestort op de veldboon. Daar zien we de meeste potentie in. Eerder hebben we ons ook beziggehouden met soja, maar daar zijn we vrij snel mee gestopt omdat het volgens ons geen geschikt gewas is voor teelt in Nederland. Ook de gele erwt krijgt nu veel aandacht, maar ook daar is het Nederlandse klimaat minder geschikt voor. Die teelt past bijvoorbeeld beter in Frankrijk, omdat de oogstomstandigheden er doorgaans gunstiger zijn.

Een algemene wens bij eiwitgewassen, voor gebruik in zowel food als feed, is om het eiwitgehalte te verhogen. Bij veldbonen hebben we het voor elkaar gekregen het eiwitgehalte in korte tijd te verhogen van 23 à 24% eiwit in onze eerste rassen naar 28 tot 30% eiwit nu. Ook hebben we gewerkt aan resistentie tegen ziektes, zoals bruine roest, waarvoor veldbonen erg gevoelig zijn.

We willen graag van partijen in de voedingsketen weten welke eigenschappen belangrijk zijn voor de verwerking van veldbonen in bijvoorbeeld vleesvervangers

Nu er steeds meer aandacht komt voor peulvruchten in de voedingsindustrie, zouden we verder willen gaan en graag van partijen in de voedingsketen willen weten welke eigenschappen belangrijk zijn voor de verwerking van veldbonen in bijvoorbeeld vleesvervangers. Wat voor soort eiwit gewenst is, welke stoffen wel of niet in de peulvruchten zouden moeten zitten en welke kleur de bloem zou moeten hebben bijvoorbeeld. We merken dat we actief naar die informatie moeten vragen, omdat veel partijen die ermee bezig zijn nog in de pioniersfase zitten en eigenlijk nog weinig weten over wat ze willen of nodig hebben wat betreft grondstoffen. Daarom nemen we ook actief deel aan projecten waarin meerdere ketenpartijen zitten.”

Het duurt over het algemeen lang voordat een nieuw ras ontwikkeld is. Kan Limagrain snel inspelen op de wensen die vanuit de keten zouden komen?

“De ontwikkeling van een nieuw ras duurt gemiddeld zo’n vijftien jaar. Het voordeel is echter dat we niet bij nul beginnen en een enorme bibliotheek hebben waarin we kunnen kijken en uit kunnen putten als we specifieke vragen over eigenschappen krijgen. Nieuwe veredelingstechnieken kunnen helpen bij het snel traceren van eigenschappen in de genen van planten. Ook is het een voordeel dat we met veel andere gewassen werken, waarvan we de kennis kunnen gebruiken voor het optimaliseren van de veredeling van de veldboon.”

Maakt Limagrain in de veredeling onderscheid tussen rassen voor humane consumptie en voor veevoer?

“Nee, daar zit op dit moment geen verschil in. De rassen die we veredelen, zijn voor toepassing in zowel humane voeding als veevoer. We kijken er wel naar of we dat onderscheid zouden moeten of kunnen gaan maken. Binnen ons portfolio zijn de peulvruchten echter maar een klein onderdeel en de markt voor humaan gebruik is nog zo klein dat het niet loont om daar specifiek op in te zetten. Zo’n 95% van de veldbonen is bedoeld voor veevoer en ongeveer 5% voor humane voeding. Het veredelen van nieuwe rassen kost gewoon enorm veel geld. Dat moet wel kunnen worden terugverdiend.”

Je zou ook kunnen zeggen: door er geld in te investeren en goede, interessante rassen te ontwikkelen, kun je de teelt en het gebruik aanjagen?

“Het is een kip-eiverhaal. We kijken elke dag hoeveel tijd en geld we willen en moeten steken in de veredeling van veldbonen. Het areaal veldbonen is nu nog erg klein en ik acht het niet waarschijnlijk dat het gewas binnen een paar decennia zo groot als bijvoorbeeld tarwe kan worden. De foodsector zou enorm moeten opschalen om het interessant te maken, maar we houden in de keuzes die we maken zeker rekening met toekomstverwachtingen en er zijn positieve ontwikkelingen gaande. Zo ben ik benieuwd welke rol het nieuwe GLB (Gemeenschappelijk Landbouwbeleid) zal spelen. Of er daardoor meer aandacht komt voor peulvruchten als vastleggers van stikstof en of het puntensysteem in het GLB de teelt ervan stimuleert.

Daarnaast is er steeds meer aandacht voor de herkomst van eiwit. Dat schepen vol goedkoop eiwit uit Zuid-Amerika hier aanleggen, staat steeds meer in een negatief daglicht. Dat kan de teelt in Europa aanzwengelen. Het uitgangspunt is echter altijd het rendement voor de boer.”

Hoe bedoelt u dat?

“Vroeger hielden veel Europese zaadbedrijven zich bezig met de veredeling van peulvruchten. Het areaal peulvruchten is echter fors afgenomen, waardoor veredeling voor deze gewassen minder interessant werd. Het belangrijkste uitgangspunt bij de keuze om wel of niet te veredelen is het rendement voor de boer. Kan de boer het gewas telen en haalt hij er rendement uit? Daarvoor zijn de prijzen sterk bepalend.

Om veldbonen interessant te maken, moet zowel de teelt als de prijs aantrekkelijk zijn

Kijk naar wat er gebeurt op de graanmarkt bijvoorbeeld. De prijzen voor graan zijn enorm gestegen, daardoor groeit het areaal. Op dit moment zijn veldbonen relatief goedkoop voor de verwerkers. Als je veldbonen belangrijker voor de boer wilt maken, moet het gewas mee in de flow van de prijsstijgingen van grondstoffen die nu gaande is. Om veldbonen interessant te maken, moet zowel de teelt als de prijs aantrekkelijk zijn. Pas dan is de basis voor de gehele keten gelegd.”

Ton Wouda spreekt op 3 maart tijdens het eerste Eiwittransitie Congres van Food&Agribusiness en gaat daar verder in op de rol van veredeling in de eiwittransitie.

Kloosterman


Beheer