Mededingingsrecht biedt meer ruimte en bescherming

18-02-2022 | |
Braeken en Demi van den Berg
Groentecentrum van een coöperatie. - Foto: Bert Jansen
Groentecentrum van een coöperatie. - Foto: Bert Jansen

Mededingingsautoriteiten zijn steeds actiever in de food- en agrisector. Wat betekent dat voor ondernemers? Bas Braeken en Demi van den Berg zien meer mogelijkheden tot samenwerking voor boeren en tuinders met het oog op duurzaamheid. Ook wordt hun positie tegenover sterke inkooppartijen versterkt.

Op basis van Verordening 1308/2013 (de ‘GMO-Verordening’) is het kartelverbod over het algemeen van toepassing op de agrisector. Landbouwers moeten zich onthouden van overeenkomsten, besluiten en feitelijke gedragingen die de onderlinge concurrentie (kunnen) beperken. Gedragingen die vereist zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) worden daarentegen uitgesloten. Daarbij valt te denken aan de productiviteit van de landbouw, het verzekeren van een redelijke levensstandaard van de landbouwbevolking, het veiligstellen van de voorziening en het verzekeren van een redelijke prijs voor consumenten.

Ook sommige gedragingen van (unies van) verenigingen van landbouwers en erkende (unies van) producentenorganisaties (PO’s en UPO’s) die betrekking hebben op de (gemeenschappelijke) productie, opslag, behandeling, verwerking of verkoop van landbouwproducten kunnen worden uitgezonderd. Voor dergelijke afspraken binnen brancheorganisaties gelden ietwat striktere regels.

Deze gedragingen zijn automatisch uitgesloten van het kartelverbod en vereisen geen voorafgaand goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie (EC). Wel kunnen partijen desgewenst een advies bij de EC inwinnen over de verenigbaarheid van hun gedragingen met de mededingingsregels.

De grens wordt echter getrokken bij het collectief vaststellen van verkoopprijzen. Zo bepaalde het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Witlof-arrest dat de collectieve vaststelling van minimumverkoopprijzen binnen een producentenorganisatie, waar producenten vervolgens zelf hun eigen productie afzetten, niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken van een UPO of PO.

Duurzaamheid als uitzondering op kartelverbod

Eind 2021 is er een nieuwe uitzondering bijgekomen; ook bepaalde gedragingen ter realisatie van duurzaamheidsdoelstellingen kunnen voortaan worden uitgesloten van het kartelverbod. Opmerkelijk is dat deze uitzondering geen expliciet voorbehoud maakt met betrekking tot het vaststellen van prijzen. De vraag rijst of prijsvaststellingen in het kader van duurzaamheid dus wel zijn toegestaan.

Eerder dit jaar heeft de Duitse mededingingsautoriteit, het Bundeskartellamt (Bka), twee initiatieven op basis van de nieuwe uitzondering goedgekeurd. Zo stelde het geen bezwaren te hebben tegen het door de voedselretailers vaststellen van gemeenschappelijke normen voor de lonen in de bananensector en moedigt het Initiative Tierwohl aan, waarin vier grote Duitse supermarkten samen met veehouders en slachthuizen onderhandelen over het introduceren van een bepaalde dierenwelzijnpremie voor pluimvee en varkensvlees. Bka oordeelde eind januari van dit jaar echter ook dat een standaardtoeslag op de inkoopprijs voor ‘rauwe melk’ niet toelaatbaar is. Alhoewel Bka de legitieme (duurzaamheids)doelstelling van dit initiatief onderkende, namelijk het verzekeren van een hoger inkomensniveau voor veehouders, zou het in feite leiden tot een verplichte minimumprijs/toeslag die uiteindelijk wordt doorberekend aan de consument.

Ondanks de speciale status van de agrisector wordt de onderlinge, collectieve vaststelling van prijzen dus over het algemeen als een (ernstige) mededingingsbeperking beschouwd. In het kader van duurzaamheid blijft de vraag waar exact de grens ligt en of, en zo ja wanneer, samenwerking mag leiden tot hogere prijzen.

Versterken onderhandelingspositie landbouwers

Ook de gedragingen van (machtige) inkooppartijen staan op de radar van mededingingsautoriteiten. Momenteel lopen twee
onderzoeken bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) over inkoopafspraken tussen afnemers van agribedrijven.

Op 1 november 2021 is bovendien de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen (OHP) in werking getreden. De nieuwe wet verbiedt bepaalde handelspraktijken ten opzichte van boeren, tuinders en vissers om hun (onderhandelings)positie in de keten te versterken. Deze bepalingen zijn slechts van toepassing indien de leverancier een relatief kleine partij is ten opzichte van zijn afnemer.

De nieuwe wet introduceert een ‘zwarte’ lijst van gedragingen die automatisch leiden tot onrechtmatig handelen van de afnemer (vaak supermarkten). Daarbij valt te denken aan late betalingen, late annuleringen en het dreigen met vergeldingsacties. Daarnaast kent de OHP een ‘grijze’ lijst met gedragingen die meestal onrechtmatig zijn, tenzij voorafgaand helder en ondubbelzinnig schriftelijk zijn overeengekomen tussen leverancier en afnemer. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het vragen van vergoedingen voor opslag, marketing of kortingen, dan wel het zonder vergoeding retourneren of laten verwijderen van producten.

Op basis van deze nieuwe regelgeving is de ACM bevoegd om een boete op te leggen van ten hoogste € 900.000 of 10% van de omzet van de overtreder. Naar verwachting zal de komende tijd dus meer balans komen in de onderhandelingsposities tussen leveranciers/producenten (landbouwbedrijven) en inkopers (bijvoorbeeld supermarkten). Naast handhaving door de ACM is namelijk sinds vanaf 1 januari 2022 een nieuwe Geschillencommissie actief, waar landbouwers (eventueel anoniem) voor € 250 een klacht kunnen indienen op basis van deze nieuwe wetgeving.

Demi van den Berg, advocaat,
Bas Braeken, advocaat en partner bij Bureau Brandeis

Meer over


Beheer