Plezier in tuinieren is waar het werkelijk om gaat

26-05 | |
Veen
Esther Veen Lector stedelijke voedselvraagstukken aan Aeres Hogeschool Almere
Foto: Canva/HildaWeges
Foto: Canva/HildaWeges

Ik heb veel onderzoek gedaan naar kleinschalige vormen van stadslandbouw, zoals buurttuinen en volkstuinen.

In discussies over dat onderwerp is er altijd wel iemand die vraagt of stadslandbouw de stad wel kan voeden. Hoewel het nog verbazingwekkend is hoeveel volkstuinders van hun tuin halen (sommigen hoeven nooit groenten en fruit te kopen), is wat mij betreft het antwoord op die vraag ‘nee’. Er is weinig ruimte in de stad om voedsel te verbouwen, terwijl er erg veel mensen wonen die gevoed moeten worden. Maar dat is ook niet waar deze vorm van stadslandbouw om gaat.

Multifunctioneel

Stadslandbouw is multifunctioneel en draagt daarom op allerlei manieren bij aan de stedelijke omgeving: voedsel produceren is slechts één zo’n manier. Zo kan stadslandbouw biodiversiteit vergroten, mogelijkheden voor regenwateropvang bieden, de stad koelen, werkgelegenheid creëren – al dan niet voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt – sociale cohesie bevorderen, laten zien hoe groente groeit, uitnodigen tot meer bewegen en de toegang tot verse groenten vergroten.

Plezier en voldoening

Eén element dat in dit verhaal vaak ontbreekt, is het plezier dat tuinieren kan brengen en de voldoening die een eigen oogst kan geven. Persoonlijk plezier en voldoening dragen niet direct bij aan een groter goed en vinden we dus ook weinig in beleidsdocumenten, maar in mijn onderzoek kom ik ze steeds weer tegen als belangrijke motivatie om te tuinieren. Natuurlijk, zelf voedsel produceren is gezond – beweging, verse groenten – en kan duurzaam zijn, maar uiteindelijk zijn dat vaak secundaire beweegredenen. De meeste tuinders vinden het simpelweg vooral ontzettend leuk om buiten aan het werk te zijn, met de handen in de klei zoals dat dan heet, en de vruchten van die arbeid daarna letterlijk te kunnen plukken.

Onze eigen spijs

Eén van mijn respondenten verwoordde het als volgt: Het is goedkoper om gewoon een amandel in de winkel te kopen, maar dat is toch niet hetzelfde. Die amandelbomen staan er. Ik hoef alleen nog de suiker, de citroen en een ei te kopen. En dan kan ik zeggen: dit brood heb ik gemaakt, en er zit onze eigen spijs in. Er komt niemand anders aan te pas. Dat geeft wel voldoening.

Net zoals er parken, speeltuinen en sportvelden zijn in de stad, omdat sommige mensen daar plezier aan beleven en ze tot gezond gedrag uitnodigen, zou ruimte voor stadslandbouw daarom vanzelfsprekend moeten zijn. Want hoewel we daarmee niet de stad zullen voeden, zorgen die tuinders met het uitoefenen van hun hobby wel voor een groenere, en daarmee leefbaardere stad.

Dit is een sterk ingekorte versie van het essay ‘Geluk zit in kleine dingen: de waarde van stadslansbouw’ in de essaybundel Fabrieksworst of Foerageren, uitgegeven door Flevo Campus (editor Janno Lanjouw)

 



Beheer