Rechter: omwonenden onvoldoende beschermd door geurwet

19-09 | |
Foto: Harrij Onstein
Foto: Harrij Onstein

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) heeft acht burgers niet voldoende beschermd tegen stankoverlast van veehouderijen. Tot dat oordeel kwam de rechtbank Den Haag afgelopen week.

De Nederlandse Staat zal de 8 personen schadevergoeding moeten betalen. De hoogte hiervan moet in een aparte procedure bepaald worden. Volgens de Haagse rechter heeft de landelijke overheid te ruime wettelijke normen opgesteld, waardoor lokale overheden vergunningen mogen of moeten verstrekken aan veehouderijen die een te zware wissel trekken om de gezondheid van omwonenden.

De rechter constateert dat ‘de balans tussen de belangen van deze bewoners en de belangen van de intensieve veehouderij zoek is geraakt’. Volgens de rechtbank worden de 8 burgers blootgesteld aan een vergunde geurbelasting die onacceptabel is.

De rechtbank baseert zich hiervoor op cijfers die gelden als richtlijn voor gemeenten om te bepalen hoeveel geurhinder op gebiedsniveau acceptabel is, en milieukwaliteitscriteria van het RIVM. Voor 8 deelnemers aan de rechtszaak is de milieukwaliteit slecht tot zeer slecht op basis van deze normen.

Geen passende maatregelen

Daarmee handelt de overheid in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, aldus de rechtbank Den Haag. Die rekent het de overheid verder aan dat er ook geen ‘redelijke en passende maatregelen’ zijn genomen om deze mensen alsnog te beschermen.

De rechtbank benadrukt dat de uitspraak geen gevolgen heeft voor de geldigheid van vergunningen van de betreffende veehouderijen, omdat het een civiele rechtszaak is. Vergunningen kunnen alleen bij een bestuursrechter aangevochten worden. Veehouderijen zijn ook geen partij in deze zaak. De rechtbank oordeelt echter dat het daar in deze zaak ook niet om gaat; het draait om het handelen van de Nederlandse Staat die belangen van burgers heeft geschonden.

Kamervragen

CDA-Kamerleden hebben Kamervragen gesteld aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de gevolgen van deze uitspraak.

De Kamerleden willen onder andere weten welke effecten de uitspraak zal hebben voor agrarische bedrijven in de buurt van burgerwoningen, voor de toekomstige vergunningverlening, en of de ministers van mening zijn dat de stankoverlast teruggebracht moet worden en wie dan voor de kosten zal opdraaien. Ze vragen ook of de uitspraak effect heeft op de gebiedsprocessen die in het kader van stikstof gevoerd worden.

Graumans
Kirsten Graumans Redacteur


Beheer