Samenwerking bedrijven geen garantie voor duurzaamheid

18-02-2020 | |
Foto: Joris Telders
Foto: Joris Telders

De samenwerking tussen akkerbouwers en veehouders geeft geen garantie voor duurzame teeltsystemen. Volgens WUR-onderzoeker Wim van Dijk zijn er diverse aandachtspunten.

De huidige samenwerking tussen akkerbouwers en (melk)veehouders is vooral gebaseerd op economische voordelen, maar biedt nog geen garantie voor duurzame teeltsystemen. Daarom is een verandering van benadering van de samenwerkingen nodig, waarbij ook wordt nagedacht over de lange termijneffecten. Een goed doordachte vruchtwisseling is daarbij essentieel. Daarvoor pleitte WUR-onderzoeker Wim van Dijk op het jaarcongres van de Nederlandse Vereniging Techniek in de Landbouw (NVTL) waar circulariteit het hoofdthema was.

Meer samenwerkingen

Van Dijk ziet dat samenwerkingen tussen veehouders en akkerbouwers de afgelopen tien tot vijftien jaar weer zijn toegenomen. Hij verwijst daarbij naar de ontwikkeling van het ‘oude’ gemengde bedrijf naar specialisatie van bedrijven en van daaruit de beweging naar het ‘moderne’ gemengde bedrijf nu. Van Dijk constateert dat er verschillende drijfveren zijn voor de huidige samenwerking tussen veehouders en akkerbouwers, waarbij de economische drijfveren de boventoon voeren. Als voorbeeld van economische drijfveren noemt hij het verhogen van het areaal hoog renderende gewassen voor akkerbouwers en de zekerheid van mestafzet voor veehouders. Daarnaast kan bodemkwaliteit, die in het gedrang kan komen door nauwe rotaties en een krappe organische-stofvoorziening op akkerbouwbedrijven, meespelen in het al dan niet sluiten van een samenwerking. Daarnaast zijn er ook maatschappelijke wensen en opgaven zoals klimaat, kringlooplandbouw, biodiversiteit en waterkwaliteit waar samenwerking ook invloed op kan hebben, aldus Van Dijk.

Valkuilen

Van Dijk splitst samenwerkingen tussen akkerbouwers en veehouders op in drie verschillende vormen. In de eerste is er geen direct contact tussen de bedrijven, maar wordt mest of veevoer verplaatst via een intermediair. Bij de tweede vorm wordt mest en/of voer uitgeruild via een onderlinge afspraak, waarbij er geen landruil is. Bij de derde vorm is er wel landruil of huur met afspraken over mest en veevoer. Deze laatste vorm brengt de meeste aandachtspunten en valkuilen met zich mee die ervoor kunnen zorgen dat een samenwerking niet altijd per definitie duurzaam is, aldus Van Dijk.

Aandeel blijvend grasland daalt

Zo constateert hij dat bij sommige samenwerkingen meer geroteerd wordt met gras. “Dat heeft tot gevolg dat het aandeel blijvend grasland daalt en daarmee ook de koolstofopslag in de bodem afneemt.” CBS-cijfers ondersteunen het beeld dat het aandeel blijvend grasland daalt. “Anderzijds zorgt grasland voor de grootste aanvoer van effectieve organische stof via gewasresten, aanzienlijk meer dan bij de meeste akkerbouwgewassen. Wisselbouw met gras verbetert daardoor de organischestofvoorziening op het akkerbouwbedrijf”, aldus Van Dijk. Het scheuren van grasland brengt, mits niet goed gemanaged, daarnaast het risico van meer stikstofuitspoeling met zich mee en een hogere uitstoot van lachgasemissies. “Ook gaat het regelmatig scheuren en weer inzaaien van gras gepaard met hoger brandstofverbruik en het gebruik van glyfosaat, hoewel dat laatste niet echt nodig is.”

Bodemgebonden ziekten en plagen

Een ander aandachtspunt zijn de bodemgebonden ziekten en plagen. “Gras en mais zijn waardplant van bepaalde aaltjes. Om te weten hoe de grond van de samenwerkingspartner er aan toe is, kun je de grond bemonsteren op aaltjes en, indien nodig, daarop de rotatie en gewasopvolging aanpassen”, aldus Van Dijk. Bij wisselbouw met gras zijn verder ritnaalden en engerlingen een risico. “Die zijn te voorkomen door een korte grasduur aan te houden”.

Concluderend zegt Van Dijk dat goed management nodig is om van een samenwerking niet alleen economisch, maar ook qua duurzaamheid een succesvol te maken.

Kloosterman


Beheer