Uitspraak rehabiliteert veehouders, maar laat vragen achter

Een uitspraak van het CBb over het melden van doodgeboren kalveren verlost een groep veehouders van het label ‘fraudeur’, zet ook bovenwettelijke eisen in een ander licht, maar biedt nog niet voor alle praktijksituaties een antwoord.

Doodgeboren kalveren hoeven volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) niet verplicht geregistreerd te worden in het I&R-systeem. En als gevolg daarvan hoeven dan ook geen bedrijven geblokkeerd te worden in geval van niet-melden. Veehouders die deze lijn aanhouden, hoeven voorts al helemaal niet aangemeld te worden als fraudeurs. De twee laatstgenoemde gevolgtrekkingen worden niet door het CBb zelf gedaan, maar zijn wel direct af te leiden uit de gepubliceerde uitspraak.

Lees ook: Doodgeboren kalf hoeft niet gemeld in I&R-systeem

Hoeveel van de ruim 2.000 bedrijven die door de I&R-affaire in het najaar 2018 in de problemen zijn gekomen door onduidelijkheid over het afmelden van doodgeboren kalveren, is niet duidelijk. De NVWA en het ministerie van LNV zijn nog steeds niet erg toeschietelijk met het geven van informatie. Het is in ieder geval een deelcategorie die het label van fraudeur kreeg, maar in de periode daarvoor en daarna speelde het probleem rond de afmelding van doodgeboren kalveren ook al.

Jongere doodgeboren dieren

De uitspraak van het CBb brengt ook niet meteen praktische helderheid, zo geven bestuurders van onder meer LTO en NMV aan. De I&R-regels zeggen dat een doodgeboren kalf van zeven maanden of ouder moet worden geregistreerd in het I&R-systeem. De praktijk is dat veehouders dat zelf moeten doen. Kadaververwerker Rendac haalt alleen de karkassen op. Op zich is dat al een heel discussiepunt.

Over jongere doodgeboren dieren wordt in de regelgeving niets gezegd. De NVWA stelt dat alle geboortes moeten worden gemeld in het I&R-systeem. Het CBb zegt in de jongste uitspraak dat doodgeboren kalveren op grond van de geldende wetgeving helemaal niet hoeven te worden geregistreerd in het I&R-systeem, want dat heeft alleen betrekking op productiedieren, zo wordt geconcludeerd.

Drie verschillende visies

Zo heb je nu drie verschillende visies, waarbij voorlopig de rechter het laatste woord heeft. De CBb-uitspraak biedt echter, evenmin als de andere twee uitleggen een oplossing voor een praktisch bestaand probleem. Er is behoefte aan een systeem dat, onder meer met het oog op de diergezondheid, verantwoordt wat er met kalveren gebeurt, ook met de doodgeboren dieren. Dat is waar de wetgeving op inzet, en meer nog toezichthouder de NVWA. Die wil het liefst voor elke situatie een afvinkbaar protocol.

Het gebeurt ook dat de koe die vrucht zelf weer opvreet

De praktijk laat dat echter niet altijd toe. Ook heeft die soms te weinig inlevingsvermogen voor praktijksituaties. LTO-portefeuillehouder diergezondheid Jeanette van der Ven: “Als er één kalf doodgaat aan Neospora, wil men dat nog wel eens begrijpen, maar vier of vijf wordt al moeilijker. En hoe ga je om met vroege verwerpers? Daar vind je niet altijd iets van terug in de wei, of zelfs in de stal. Het gebeurt ook dat de koe die vrucht zelf weer opvreet.” Van der Ven zou het liefst zien dat toezichthouders iets meer durfden te vertrouwen op de managementsystemen die boeren zelf gebruiken. “Die zijn vaak beter dan het I&R-systeem en zorgen voor minder extra werk.”

Gedeeltelijke duidelijkheid

NMV-bestuurder Bertus Doppenberg stelt ook dat de uitspraak maar gedeeltelijke duidelijkheid biedt voor de praktijk. Daar moet dus een oplossing voor komen. Toch is hij ook tevreden over de uitspraak, want die betekent volgens hem ook een tik op de neus voor alle bovenwettelijke systemen die de laatste jaren over bestaande wetgeving heen zijn gezet. Die hebben nu een herijking nodig, meent hij.

2/3 artikelen over | Registreer om meer artikelen te lezen.