Van Huët (Rabo): ‘Sector doodgereguleerd met meer regels’

De overheid moet meer sturen op doelen voor maximale duurzaamheidswinst. Niet met nog meer regels. Dat zegt Carin van Huët, directeur Food & Agri Nederland bij Rabobank, in een interview over de toekomstvisie 2030 die afgelopen week is gepresenteerd.

De overheid moet meer sturen op doelen en niet, zoals nu, met steeds meer generieke wetgeving. De afgeblazen krachtvoermaatregel voor melkvee is het voorbeeld dat een generiek voorgeschreven regel niet meer werkt. Boeren en tuinders moeten ruimte krijgen om op hun bedrijf de aanpassingen te doen die nodig zijn voor een verdere verduurzaming. Dat stelt Rabobank in de toekomstvisie voor 2030.

De uitgesproken voorkeur voor doelenbeleid is een belangrijk onderdeel in de toekomstvisie van Rabobank tot 2030, volgens Carin van Huët, directeur Food & Agri Nederland. “Als we doorgaan op de huidige weg met steeds strengere regels, wordt de agrarische sector doodgereguleerd.”

In de visie wordt het belang van de land- en tuinbouw voor de economie en de inrichting van het landelijk gebied benoemd. Rabobank pleit voor het handhaven van schotten tussen sectoren en tussen landbouwbedrijven en de rest van de economie.

Is een doelenbeleid wel realistisch als een overheid juist controle wil houden?

“Volgens ons is het de enige manier om een grote verduurzamingsslag te kunnen maken. In het verleden heeft sturen met middelen veel opgeleverd. Kijk naar de ammoniakuitstoot door de landbouw die sinds 1990 met 70% is afgenomen. Dat is bereikt met allerlei generieke maatregelen, zoals de regels voor mesttoediening. De laatste 30% reductie lukt echter alleen met maatwerk op bedrijven. De voermaatregel ging wat dat betreft echt over de grens.”

Afrekenen op doelen betekent dus meer meten en ook meer transparantie

Meer keuzevrijheid voor de boer dus?

“Ja, maar dan moet je ook duidelijke doelen hebben. Wil je in 2030 bijvoorbeeld 20% minder ammoniakemissie hebben dan nu? Dan moet je ook een duidelijk tijdpad maken met tussentijdse doelen waar een sector aan moet voldoen en daar horen ook sancties bij als het niet lukt. Cruciaal is dat je dan ook moet kunnen meten hoe bedrijven het doen. Dat stimuleert ondernemerschap. Afrekenen op doelen betekent dus meer meten en ook meer transparantie. Laat zien wat je doet op het gebied van gewasbescherming en bemesting bijvoorbeeld.”

Waarom dan die schotten tussen sectoren in de land- en tuinbouw?

“Elke sector heeft nu een bepaald effect op de omgeving en milieu. Wij noemen dat de milieugebruiksruimte. Grondgebonden sectoren hebben heel andere uitdagingen dan intensieve sectoren. Elke sector heeft ook zijn eigen verantwoordelijkheid. Dan zul je ook een soort afscheiding moeten hebben. Dat voorkomt dat ontwikkelingsruimte verdwijnt naar een andere sector of buiten de landbouw. Zeker als die andere sector veel meer kan betalen.”

Lees ook: Extern salderen binnenkort van start

Niet extern salderen dus?

“Wij vinden dat elke sector zijn eigen ruimte moet houden. Bij extern salderen gaat het vooral om de stikstofruimte. Die is binnen de sectoren hard nodig om ruimte te houden voor ontwikkeling, bijvoorbeeld door de verschuiving van productie naar gebieden waar het de minste milieubelasting oplevert. Als je dat toestaat naar andere sectoren en zelfs buiten de landbouw, dan verdwijnt die ruimte naar de hoogste bieder, bijvoorbeeld voor wegen- of woningbouw.

Onder voorwaarden kan je ruimte overhevelen van de ene naar de andere sector. Het gebeurt al, bijvoorbeeld met grond als een bestemmingswijziging plaatsvindt van agrarisch naar woningbestemming. Mogelijk kan het ook via het tijdelijk verleasen van stikstofruimte, dat kan zelfs een verdienmodel zijn voor bedrijven die tijdelijk hun ruimte niet kunnen benutten.”

Is er voor elke sector in de land- en tuinbouw toekomst?

“Ja. Daarom is het ook van belang om schotten te houden tussen landbouwsectoren en tussen de agrarische sector en de rest van de economie. Wat dat betekent voor de omvang van verschillende sectoren, is nu nog niet met zekerheid te zeggen. Dat hangt mede af van het landelijk beleid in de komende jaren en hoe de ruimte in het landelijk gebied ingericht wordt. Daar zijn verschillende scenario’s voor met verschillende uitkomsten.”

De belangrijkste regio voor de afzet is meer en meer Noordwest-Europa. Ik zie dat eigenlijk niet als export, maar meer als interne markt

Is de exportpositie van de agrosector nog wel houdbaar volgens jullie visie?

“Ja, voor het grootste deel wel. De belangrijkste regio voor de afzet van onze land- en tuinbouw producten is meer en meer Noordwest-Europa, zeg maar een straal van ongeveer 800 kilometer. Ik zie dat eigenlijk niet als export, maar meer als interne markt en dat is nu al het voornaamste afzetgebied. Voor afzet op grotere afstand en naar derde landen buiten de EU ligt dat anders. Daar zul je goed moeten afwegen wat de producten opleveren en hoe zeker die afzet is op de langere termijn. Zeker als de productie relatief veel milieugebruiksruimte in beslag neemt.”

Dus minder export?

“Niet per se minder, maar deels anders. Voor grotere afstanden moet je denken aan de hoogwaardige producten, zoals pootaardappelen, zaden en babyvoeding, en bijproducten die hier lastig of niet af te zetten zijn, maar wel belangrijk zijn voor de totale opbrengst. Denk aan de bekende varkensoren die in China wel worden gewaardeerd. Het middensegment, zoals groente, fruit en melkpoeder, blijft dan grotendeels in de interne markt. Een heel ander en kleiner segment zijn de niches die gericht zijn op lokale markten met heel korte ketens.”

2/3 artikelen over | Registreer om meer artikelen te lezen.