Voor altijd gebrandmerkt

Afgelopen maandag zei René van der Gijp in de uitzending van Voetbal Inside, die volledig in het teken stond van de opmerking van Johan Derksen over rapper Akwasi: ‘als we echt in een land leven, dat nu geschetst wordt, zouden wij hier alle vier (duidend op zijn medepresentatoren) niet meer wonen’.

Gerard Cox, de acteur uit het serie ‘Toen was geluk heel gewoon’ zei eerder: we hebben ons dat racisme allemaal laten aanlullen. Wat de hele discussie bij mij oproept, is een associatie met de anti-boer beweging in de afgelopen 25 jaar. Een grote groep vertegenwoordigers uit de vleessector verwoorde hun zorgen over de gevolgen van het landbouwstigma afgelopen week in een brief gericht aan de minister-president. Een stigma, dat schandvlek of brandmerk betekent, is volgens de Van Dale een negatief vooroordeel dat leeft onder een bevolkingsgroep.

Grote woorden in brandbrief

In de brandbrief, die ondertekend is door 27 organisaties, benoemen zij de goede internationale reputatie van de Nederlandse agrarische sector die in schril contrast staat met het negatieve imago dat onze sector in eigen land heeft. Dit negatieve imago wordt, volgens de 27, bewust gecreëerd. In de brief worden grote woorden gebruikt zoals demonisering, stelselmatige stigmatisering, ongefundeerde uitlatingen en opzettelijke framing die aanzetten tot radicalisering.

Op Schoevers leerde ik vroeger dat je een brief nooit met ‘hopen’ af moet sluiten

De organisaties constateren dat ook het plegen van misdrijven tegen boeren en hun ketenpartners het gevolg is van het feit dat politieke partijen wegkijken en er niet openlijk afstand van nemen. Wie zwijgt, stemt toe. Zij sluiten de brief aan de minister-president af met de zin: ‘wij hopen dat wij … met u een gesprek kunnen aangaan…’ Op Schoevers leerde ik vroeger dat je een brief nooit met ‘hopen’ af moet sluiten. ‘Hopen doe je op de wc’, zei de leerkracht Nederlands altijd. Daarmee bedoelde ze dat het geen krachtige term is om duidelijk te maken wat je van de brieflezer verwacht. Afgezien van Teun van de Keuken, die de brief aangreep om er een goed betaalde column over te schrijven en de brief een ‘huiliehuiliebrief’ noemde, is de noodkreet door geen enkel serieus mediakanaal opgemerkt of opgepikt.

Brief komt 25 jaar te laat

Het spreekwoord dat wat mij betreft van toepassing is op de brandbrief: als het kalf verdronken is, dempt men de put. De brief komt 25 jaar te laat en de organisaties die de brief hebben opgesteld, stonden erbij en keken ernaar. Al die jaren schoven zij aan bij allerlei goedbetaalde overlegjes, maakten zij dealtjes met NGO’s en nodigden zij politici uit voor bezoekjes op onze bedrijven. Het bejubelde poldermodel heeft gefaald en we stonden erbij en keken ernaar. En het kalf verdronk. Gerard Cox zou waarschijnlijk concluderen: we hebben ons het anti-boer stigma laten aanlullen.

2/3 artikelen over | Registreer om meer artikelen te lezen.