ING: stikstofplannen raken verdiencapaciteit voedingsindustrie

Ceel Elemans is sector-banker Food bij ING. Foto: ING
Ceel Elemans is sector-banker Food bij ING. Foto: ING

De overheid presenteerde eind vorige week de stikstofplannen. Dat raakt niet alleen de boeren, verwacht ING. Het heeft gevolgen voor een deel van de voedingssector.

De stikstofplannen van de overheid brengen de primaire sector in rep en roer. De stikstofuitstoot moet drastisch omlaag; in enkele gebieden zelfs met meer dan 90%. Dit treft niet alleen de boeren, maar heeft gevolgen voor delen van de Nederlandse voedingssector.

De kleinere melkaanvoer zal leiden tot onderbezetting van fabrieken en dat gaat ten koste van de verdiencapaciteit

Ceel Elemans, sector-banker Food bij ING, noemt als eerste de zuivelsector. “De productiecapaciteit in de Nederlandse zuivel is ingericht op het verwerken van zo’n 14 miljard kilo melk per jaar. Door afroming van fosfaatrechten is de melkaanvoer de laatste jaren langzaam afgenomen. De stikstofplannen gaan de melkproductie verder verminderen. De kleinere melkaanvoer zal leiden tot onderbezetting van fabrieken en dat gaat ten koste van de verdiencapaciteit. De zuivel heeft ook nog te maken met hogere productiekosten vanwege de gestegen prijzen voor energie en grondstoffen en het toenemende tekort aan arbeidskrachten.”

Deel van export kwijtraken

Jan Willem van den Berg is sector-banker Agri bij ING. Foto: ING
Jan Willem van den Berg is sector-banker Agri bij ING. Foto: ING

De krimpende melkaanvoer gaat gevolgen hebben voor de werkgelegenheid, zegt Jan Willem van den Berg, sector-banker Agri bij ING. “Wellicht moeten fabrieken sluiten om een optimale productiecapaciteit te realiseren. De zuivelsector kan een deel van de export kwijtraken door de geringere productie. Nog een effect zal zijn dat de zuivelproductie zich verplaatst naar landen met meer CO2-uitstoot per liter melk. Dat is negatief voor het wereldwijde klimaatprobleem.”

Wij verwachten dat de eerste effecten van de stikstofplannen pas in 2024 of 2025 voelbaar worden

De agrarische sector wijst de overheid voortdurend op de noodzaak dat de sector een minimale omvang moet hebben om bedrijven levensvatbaar te houden. Dankzij een goed ontwikkelde primaire sector kunnen toeleveranciers, afnemende bedrijven en ondersteunende instituten, zoals onderzoek en onderwijs, een boterham verdienen. Volgens Elemans heeft de zuivelsector die kritische massa nog niet bereikt. “De krimp in melkproductie door de stikstofplannen gaat geleidelijk. De provincies moeten voorstellen maken hoe ze de stikstofplannen van de overheid gaan uitvoeren. Er komen inspraakrondes. Dan moet alles nog worden vastgelegd in politieke besluiten. Gezien de huidige ophef zal het nodig zijn om met plannen te komen die op meer draagvlak kunnen rekenen. Wij verwachten dat de eerste effecten van de stikstofplannen pas in 2024 of 2025 voelbaar worden.”

Gevolgen voor de vleessector

De stikstofplannen gaan ook gevolgen hebben voor de vleessector in Nederland. De overheid wil vooral rondom de Peel, de Gelderse Vallei en de Veluwe de stikstofuitstoot verminderen door de veestapel in te krimpen. Elemans: “Daar lijken klappen te gaan vallen. Rondom de Peel worden veel varkens gehouden. In de Gelderse Vallei en de Veluwe zijn veel vleeskalver- en pluimveebedrijven. De varkensslachterijen komen door de stikstofplannen niet in grote problemen. De sector exporteert nu nog veel levende varkens. Die kunnen in Nederland worden verwerkt.”

Focus in voersector verleggen

In hoeverre de stikstofplannen de vleeskalversector gaan raken, vinden Elemans en Van den Berg moeilijker te beoordelen. Van den Berg: “In de sector wordt 50% van de kalveren geïmporteerd. Door de geplande doelen zullen bedrijven worden opgekocht wat leidt tot minder aanvoer bij de slachterijen. De mengvoersector die aan de veehouderijbedrijven voer leveren, zal de inkrimping van de veestapel wel merken. De voersector speelt daar al op in door een voortdurende consolidatie via fusies en overnames en de focus te verleggen naar het buitenland.”

Eiwittransitie

In de samenleving vindt een verschuiving plaats van dierlijke voedingsmiddelen naar plantaardige. Dat gaat heel geleidelijk, constateert Elemans. “Dergelijke ingrijpende overgangen duren minstens een generatie. Wij verwachten dat pas ergens in 2050 tot 2060 een pariteit ontstaat. Dan worden net zo veel dierlijke producten geconsumeerd als plantaardige vlees- en zuivelvervangers. De overheidsplannen zullen dat proces niet versnellen. Als de vraag naar plantaardige grondstoffen groeit, dan stijgen de prijzen. Dat remt deze ontwikkeling weer af. Bovendien wisselt de consument niet zo snel van menu. We zagen dat ook bij de vermindering van het suikerverbruik. Als te veel suiker uit een product wordt gehaald, dan kiest de consument voor een alternatief. Voeding moet lekker zijn.”

EU-wetgeving loopt achter

Elemans verwacht ook niet dat door de overheidsplannen alternatieve voedingsgrondstoffen een extra impuls krijgen, zoals kweekvlees, insecten, algen of mycoproteïnen. “Er is een groeiende belangstelling voor bijvoorbeeld kweekvlees of grondstoffen uit insecten, maar er zijn twee remmende factoren. De EU-wetgeving loopt achter. Overheden buiten de EU spelen meer in op deze ontwikkelingen. Daarnaast vergt het veel tijd om kweekvlees en grondstoffen gemaakt van insecten geaccepteerd te krijgen door de consument.”

Het is belangrijk dat alle partijen in de keten in deze moeilijke tijden gericht blijven op duurzaamheid

Producenten hebben niet alleen te maken met de overheidsplannen. Ze betalen ook meer voor grondstoffen, energie, transport en verpakkingen. Elemans: “Ook consumenten worden geconfronteerd met stijgende kosten. Je ziet nu al dat consumenten in de supermarkten overstappen van A-merken naar de goedkopere huismerken.”

Als consumenten minder te besteden hebben door de inflatie, dan bestaat de kans dat ze kiezen voor goedkopere producten die minder duurzaam zijn. Elemans vreest hetzelfde effect bij voedingsmiddelenbedrijven. “De voedingssector heeft het nu lastig door de sterk gestegen kosten voor energie en grondstoffen en de krappe arbeidsmarkt. Maar de klimaattransitie is blijvend. Het is belangrijk dat alle partijen in de keten in deze moeilijke tijden gericht blijven op duurzaamheid. Er staat wat betreft de klimaatdoelen een stip op de horizon. Veel bedrijven hebben middelen gereserveerd om die duurzaamheidsdoelen te halen. Die middelen moeten ze niet gebruiken om kortetermijnproblemen, zoals hogere inkoopkosten, te financieren. In 2030 moeten tussentijdse klimaatdoelen zijn gerealiseerd. Dat moet de sector goed in het oog houden en duurzaamheid blijven omarmen. Dat houdt de voedingsindustrie toekomstbestendig.”

Engwerda
Jan Engwerda Redacteur


Beheer