BSE is getemd, maar onzekerheid blijft

26-03 | Laatste update op 23-05 | |
De eerste jaren werd bij BSE het hele bedrijf geruimd. Later alleen dochters van het besmette rund, dieren die gelijktijdig zijn geboren en als jonge dieren hetzelfde voer kregen. Foto: Mark Pasveer
De eerste jaren werd bij BSE het hele bedrijf geruimd. Later alleen dochters van het besmette rund, dieren die gelijktijdig zijn geboren en als jonge dieren hetzelfde voer kregen. Foto: Mark Pasveer

Deze week 25 jaar geleden kende Nederland het eerste BSE-geval. Door het uitbannen van diermeel is de BSE-crisis bezworen maar de prijs was hoog. Door de zeer lange incubatietijd blijft onzeker of Creutzfeldt-Jakob vroeg of laat weer de kop opsteekt.

Terwijl in het Verenigd Koninkrijk (VK) de runderziekte BSE al tot de ruiming van tienduizenden dieren had geleid, werd in Nederland op 21 maart 1997 het eerste geval op een melkveebedrijf in Wilp geconstateerd. Een zeer ingrijpende gebeurtenis voor de betreffende veehouder aangezien het hele bedrijf werd geruimd. De ontdekking kwam zo’n zeven jaar nadat stringente maatregelen waren genomen om BSE te voorkomen.

Verbod op gebruik van diermeel

In totaal zijn hier 88 BSE-gevallen vastgesteld, de laatste in 2011. Ter vergelijking: in het VK zijn meer dan 180.000 gevallen gemeld. De laatste gevallen waren oude koeien die waarschijnlijk in hun jeugd nog besmet voer hebben gegeten. Overigens werd in de eerste jaren nog het hele bedrijf geruimd en later alleen dochters, dieren die gelijktijdig zijn geboren en tijdens het eerste jaar hetzelfde voer hebben gehad.

Dat de Nederlandse situatie zoveel gunstiger verliep dan in het VK heeft volgens Lucien van Keulen alles te maken met het ingevoerde verbod op gebruik van diermeel, dat grootschalig in veevoer werd verwerkt. Diermeel is het restproduct dat overblijft na verbranding van slachtafval en dode dieren.

Van Keulen deed destijds bij het ID-DLO Dierhouderij en Diergezondheid (huidige Wageningen Bioveterinary Research) in Lelystad als patholoog onderzoek naar zogenoemde prion-ziekten en raakte zo bij de BSE-aanpak betrokken. Bij prion-ziekten zijn er specifieke eiwitten in het spel die eiwitten in de hersenen aantasten (zie kader).

Lange incubatietijd en uitgebreide handel

“Waarschijnlijk heeft de combinatie van veel scrapie bij schapen en een aangepast destructieproces als gevolg van de energiecrisis in de jaren 70, tot de explosieve aantallen in het VK geleid.” De link tussen BSE en voeren van besmet diermeel van herkauwers werd al snel gelegd. Zodoende mochten voerfabrikanten in Nederland al in 1989 geen diermeel van herkauwers in voer voor herkauwers verwerken; in 1994 werd dat aangescherpt tot een verbod op het gebruik van diermeel afkomstig van alle diersoorten in voer voor herkauwers. Pas zes jaar later volgde een algeheel Europees verbod. Door de lange incubatietijd en uitgebreide handel in dieren en diermeel kon BSE zich in de jaren 80 en 90 wel vanuit het VK over heel Europa verspreiden.

Link met volksgezondheid

Harm Evert Waalkens was destijds kamerlid voor de PvdA en behoorde tot de dossiervreters op het gebied van BSE. “Helemaal aan het begin werd de noodzaak strenge maatregelen te nemen nog niet zo gevoeld”, herinnert hij zich. “Dat heeft waarschijnlijk te maken met de grote belangen die erbij spelen, een reflex die we wel vaker zien.” Toen de link werd gelegd met de volksgezondheid veranderde alles en kreeg de aanpak, zowel Europees als landelijk, hoge prioriteit. Een variant van de hersenziekte Creutzfeldt-Jakob (vCJD) bij mensen werd namelijk in verband gebracht met BSE. Beide zijn prion-ziekten.

De overheid richtte de pijlen op meerdere aspecten: na het invoerverbod van dieren, meerdere aanscherpingen van gebruik van diermeel, het scheiden van hoog-risicomateriaal in slachterijen en testen van runderen voor de slacht (vanaf 30 maanden leeftijd) en als kadaver (vanaf 24 maanden). De logistiek in de destructie moest worden aangepast. Het verbod op diermeel in rundveevoer betekende gescheiden productielijnen, met name voor kleine mengvoerbedrijven een grote uitdaging.

Voerfabrikanten moesten bovendien op zoek naar nieuwe eiwitbronnen, vaak duurder dan het goedkope diermeel. Voor de sector waren er meer kosten: Een aantal derde landen sloot in de jaren 90 hun grenzen voor Europees rundvlees en levende dieren. Slachtkosten namen toe door extra handelingen en controles.

De pijlers onder de controle zijn nooit stevig genoeg geweest en schoven telkens naar andere ministeries

Waalkens vindt dat uiteindelijk de goede dingen zijn gedaan. Daarvoor is op een aantal fronten de wet- en regelgeving strikter gemaakt. “Identificatie en registratie van vee (I&R) was niet op orde, traceren van kadavers was niet op orde. Dat waren cruciale schakels.” Hij is ook kritisch op de controle vanuit de VWA en haar voorgangers. “De pijlers onder de controle zijn nooit stevig genoeg geweest en schoven telkens naar andere ministeries. Volstrekt onafhankelijk was en is de dienst niet.”

Markt is hersteld

De erfenis van 25 jaar BSE. Het grootste leed is vanzelfsprekend voor de patiënten met de variant van Creutzfeldt-Jakob waarvan er in Nederland drie zijn overleden. Naast de economische schade heeft de sector nog altijd te maken met een controleapparaat voor oudere runderen uit noodslachtingen en destructie en afvoer/controle van risicovolle delen. De markt is wel hersteld en in de handel speelt BSE eigenlijk geen rol meer. Bijna twintig jaar na de volledige ban is gebruik van diermeel in veevoer inmiddels onder strikte voorwaarden weer toegestaan. Diermeel van herkauwers blijft verboden.

Miljarden gekost

De bestrijding van BSE heeft Europees miljarden gekost en de teller loopt nog steeds. Zeker nadat begin deze eeuw de grote aantallen BSE-gevallen voorbij waren, zijn discussies gevoerd of de kosten wel in verhouding staan. Plat gezegd lopen mensen op veel vlakken meer risico maar wordt minder gedaan om het te voorkomen. Ook zijn er gezondheidsmaatregelen die de overheid niet vergoed maar meer levens kunnen redden. Vertrouwen in de voedselveiligheid wordt echter algemeen als zeer belangrijk geacht, zowel vanuit ethisch/medisch oogpunt als economisch voor de hele vee- en vleessector.

‘We’ zijn door het oog van de naald gekropen

Specifiek voor BSE geldt dat de onbeheersbaarheid en zeer lange incubatietijd een harde en langdurige aanpak vroegen. Van Keulen benadrukt in dat kader dat ‘we’ door het oog van de naald zijn gekropen. Zo is er geen overdracht van BSE via besmet diermeel op andere diersoorten geweest doordat varkens en kippen niet gevoelig bleken voor een besmetting met BSE via het voer. Daarnaast geven runderen de besmetting niet door aan stalgenoten of nageslacht. “Was dat wel het geval, dan was schade niet te overzien.”

Risico op tweede golf

Slechts incidenteel worden in Europa nog BSE-gevallen gevonden. De laatste keren was onder andere in Spanje en Schotland. In veel gevallen zijn het spontane a-typische ziektegevallen, maar niet uitgesloten is dat het nog gevolgen zijn van de klassieke besmettingsroute. Het geeft volgens Van Keulen aan dat een strakke surveillance belangrijk blijft. “Er komen toch af en toe gevallen boven water. Als we daarmee stoppen, weten we helemaal niets meer.”

Van Keulen waarschuwt voor een grote onbekende factor: het risico op een tweede golf van de variant van Creutzfeldt-Jakob. Ondanks dat al jaren geen nieuwe gevallen zijn gemeld, blijkt uit Brits onderzoek dat 1 op de 2.000 tot 4.000 mensen in het VK nog altijd de besmetting met zich meedraagt maar nog niet ziek is geworden. “Mogelijk hebben die mensen een lagere gevoeligheid en dus een langere incubatietijd dan degenen die al aan Creutzfeldt-Jakob zijn overleden.” Een tikkende tijdbom zijn misschien te grote woorden, maar toekomstige gevallen zijn gezien de enorme lange incubatietijden zeker niet uitgesloten. Overigens verwacht Van Keulen dat het in Nederland veel minder mensen betreft aangezien de blootstelling aan BSE veel lager is geweest dan in het Verenigd Koninkrijk.

Stevens
René Stevens Freelance redacteur


Beheer